JODENDOM

 

Inhoud
Algemeen

Wat is het Jodendom?
De Joodse wijk in Jeruzalem
Mea Shearim
Joodse taal
Wat is Kosher
Geschiedenis van het Joodse volk (in IsraŽl)

Jodendom

Jeruzalem is de bakermat van het jodendom; hier eerden de joden al van oudsher hun God. De stad is gebouwd op de berg Moria, waar Abraham (volgens de bijbel een Jood) bereid was zijn zoon Isašk aan God te offeren.
De geschiedenis van het Joodse volk is verbonden met zijn godsdienst. Zonder zijn godsdienst was het Joodse volk waarschijnlijk geheel opgegaan in andere volken.
Op de vraag wie nu wel Jood is of niet heeft de IsraŽlische volksvertegenwoordiging de volgende wet aangenomen: men is Jood als men geboren is uit een Joodse moeder of als men zich bekeerd heeft tot het Jodendom.

Wat is het Jodendom?

Binnen het Jodendom bestaan drie richtingen: het orthodoxe ,het conservatieve en het liberale jodendom.
De orthodoxe joden houden zich strikt aan de joodse wetten en voorschriften die staan opgetekend in de joodse geschriften (de Thora en de Talmoed).
De conservatieve joden gaan wat vrijer om met de wetten en voorschriften. De liberale joden willen hun geloof een meer eigentijds gezicht geven.
Kenmerkend voor alle joden is dat zij het bestaan van God (in het hebreeuws: Jahweh, JHWH, ik ben die ik ben) als een vast gegeven accepteren; zij beschouwen God als de schepper van alles. Ook hebben zij allen de sabbat (zaterdag) als rustdag.
Er is maar ťťn God, hij schiep de wereld en de mensen met een bepaald doel en Hij leidt het leven en de geschiedenis volgens een vast plan.

Vanaf de vroegste tijden beschouwen de joden zich als een volk dat op een uitzonderlijke manier door God werd geroepen en dus uitverkoren, zoals omschreven in de christelijke Bijbel en de joodse Thora.
Godsdienst en geschiedenis van de joden staan opgeschreven in het Oude Testament (christelijke benaming, oftewel de Tenach (joodse benaming).
Tenach betekent de letter T van Thora (wet), de N van de Nebiim (profeten) en de C van Chetoebim (geschriften).

- De Thora omvat de vijf boeken van Mozes: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium.
De kern van deze vijf boeken vormen de tien geboden gegeven door Mozes , dit zijn de voorwaarden van het verbond dat God met de joden heeft gesloten.
- De Nebiim omvat historische boeken, zoals Jozua, Richteren, Samuel en Koningen en de geschriften der profeten zoals Elia, Hosea, Jesaja, Amos en Jeremia.
- De Chetoebim bevat historische boeken; zoals Kronieken en Ester, dichterlijke boeken; zoals Psalmen en Hooglied en wijsheidsboeken; zoals Job en Prediker.

De Thora bepaalt de kenmerkende levenswijze van de joden. Rond de 10 geboden groeiden langzamerhand 248 geboden en 365 verbodsbepalingen die allemaal in de Tenach zijn vastgelegd. Zij vormen een exact schema voor het leven vanaf de geboorte tot aan de dood.
Alle joodse tradities en godsdienstige gebruiken zijn aan de Thora ontleend, denk aan sabbat, de spijswetten (het eten moet kosher
zijn), de besnijdenis, de Bar Mitswa en de feestdagen.
Geleerden hebben geprobeerd om de Thora te verklaren. Vele verschillende wijzen van uitleg zijn bijeen gebracht in een totaal van 6 boeken (Mishna). De bewerkingen en aanvullingen hierop heet de Gemara(toevoeging). De Mishna en de Gemara vormen samen de Talmoed.

Een opmerkelijk verschijnsel in het jodendom is het geloof in de komst van de Messias; hij zal het Koninkrijk Gods op aarde brengen. De rechtschapenen zullen beloond worden; de zondaars gestraft. Het joodse volk zal in een land bijeen gebracht worden en er zal een tijdperk van vrede en geluk aanbreken voor alle mensen.

Gebruiken en tradities nemen een belangrijke plaats in het leven van iedere jood in.
Als een pasgeboren jongen de leeftijd van 8 dagen bereikt wordt hij besneden. Daarbij wordt de voorhuid van de penis verwijderd. Deze ongevaarlijke ingreep wordt door een arts of een besnijder (moheel) uitgevoerd. Het gebruik wordt in het eerste boek van Mozes (Genesis) beschreven.
Op de sabbat na zijn dertiende verjaardag wordt de jongen een Bar Mitswa ; een zoon van de opdracht. Hij gaat voor het eerst naar de synagoge om een zegenspreuk uit de Thora uit te spreken. Vervolgens ontvangt hij de gebedsriemen (tefillin) met daarin de heilige teksten uit de thora en bevestigt deze om zijn linkerarm en op het voorhoofd. Daarna wordt hij opgenomen in de geloofsgemeenschap en is hij een man.
Sommige richtingen laten ook meisjes op een gelijksoortige wijze toe tot de geloofsgemeenschap. Zij wordt dan een Bat Mitswa: een dochter van de opdracht.

Naar inhoud




De Joodse wijk in Jeruzalem.

Zij grenst aan de oostkant van de Armeense wijk en kan worden betreden door via de Jaffapoort rechts af te slaan.
Het stadsdeel heeft veel te lijden gehad van het beleg door de Arabieren en JordaniŽrs in de maanden voor en na de stichting van de staat IsraŽl. Dit had ook voordelen, want naderhand vonden archeologen nog zeer oude gebouwen en ruÔnes.
Het Joodse stadsdeel is sinds 1967 in de oude stijl en sfeer herbouwd, waardoor een wandeling door de wijk een prettige ervaring is.
Er wonen enige duizenden, meestal orthodoxe joden te midden van mooie pleinen, synagogen, talmoedscholen, kleine restaurants en koffiehuizen.
Bezienswaardigheden zijn oude delen van muren uit de 8ste eeuw voor Christus en de ongeveer 8 meter hoge IsraŽlitische toren uit de eerste Tempelperiode. In het Burnt House zouden munten en huisraad aangetroffen zijn, die bij de ondergang van de Tweede Tempel zouden zijn verbrand. De munten zijn uit het jaar 69, een jaar voor de verwoesting.

Naar inhoud


Mea Shearim.

In de wijk Mea Shearim (Honderd Poorten) hebben zich Ultra-orthodoxen gevestigd na 1870.
Zij leven daar een aan zeer strikte regels gebonden leven. Mannen dragen er zwarte kleren en hoeden, velen met traditionele vossenbont omrande streimel en gekrulde haarlokken. Vrouwen vertonen zich in lange jurken met een hoofddoek of pruik over het kaalgeschoren hoofd.
Borden vestigen er de aandacht op dat ook vreemdelingen zich moeten houden aan enkele regels betreffende de kleding (lange mouwen, rokken tot de knie, geen shorts en mannen worden verzocht hoeden te dragen). Er zijn veel synagogen en talmoedscholen. Volgens de uitleg van de ultra-orthodoxe religieuze wet is fotograferen verboden.

Naar inhoud


Joodse taal.

Door de Diaspora (verstrooiing) zijn de joden verspreid over vele landen, ze spraken dus vele talen.
Hier zijn eigenlijk maar drie groepen van overgebleven: Hebreeuws-Duits, Hebreeuws-Castilliaans en Hebreeuws met een noordafrikaans accent.
De joden uit Centraal- ,West- en Oost-Europa worden Asjekenazim genoemd, zij spreken een Hebreeuws- Duitse taal, ook wel het Jiddisch genoemd.
De joden uit Spanje noemt men Sefardiem, zij spreken Hebreeuws- Castilliaans ofwel het Ladino. De joden uit het Midden- Oosten hebben geen speciale naam; men noemt ze Oosterse joden.

Naar inhoud


Wanneer is eten kosher?

Het voedsel moet geschikt en rein zijn volgens de bijbelse en rabbinale spijswetten (kashrut).
- Alleen herkauwende dieren met volledig gespleten hoeven zijn rein.
- Geen schelp- of schaaldieren.
- Vissen moeten op zijn minst een vin hebben die in het water zichtbaar moet zijn.
- Vlees kan niet met zuivelproducten gegeten worden, er moet minstens 6 uur tussen zitten.

Naar inhoud


Geschiedenis Joodse volk

 
1250 v. Chr. Jozua trekt met het volk IsraŽl door de Jordaan en mag het daarna veroverde land Kanašn onder de 12 stammen van IsraŽl verdelen.
1200 v. Chr. De Filistijnen bezetten het kustgebied van Kanašn, dat sindsdien de naam draagt van "Palestina".
1025 v. Chr. Saul wordt gezalfd tot eerste koning over IsraŽl.
1004-965 v. Chr. David regeert als koning van IsraŽl te Hebron en Jeruzalem.
965-922 v. Chr. Regering van Salomo. De eerste Tempel wordt in Jeruzalem gebouwd en ingewijd.
922 v. Chr. Rijk valt uiteen in Tweestammenrijk (Juda) en Tienstammenrijk (IsraŽl).
721 v. Chr. De AssyriŽrs veroveren Samaria en voeren de 10 stammen van het noordelijk koninkrijk weg in ballingschap. Dit betekent het einde van het Tienstammenrijk (IsraŽl).
587 v. Chr. Nebukadnezar verwoest Jeruzalem en de Tempel en voert de stam van Juda weg in ballingschap naar Babel. Einde van het Tweestammenrijk (Juda).
539 v. Chr. Cyrus verovert Babel en staat de joden toe naar Jeruzalem terug te keren. Onder leiding van Zerubbabel wordt de Tempel herbouwd en voltooid (Tweede Tempel).
334 v. Chr. Alexander de Grote verovert Palestina, dat na zijn dood onder de heerschappij van de PtolemeeŽn van Egypte geraakt.
198 v. Chr. Antiochus III van SyriŽ verslaat de Egyptenaren en Palestina gaat over in handen van de Seleucieden.
175 v. Chr. Antiochus IV wordt koning. Hij tracht de verering van JHWH uit te roeien en ontwijdt de Tempel door zwijnen op het altaar te offeren.
167 v. Chr. De joden, onder leiding van de bejaarde priester Mattatias en zijn vijf zonen, komen in opstand tegen de Seleucieden en "winnen" de opstand.
69 v. Chr. Pompejus verovert Palestina.
40 v. Chr. De Romeinen worden door de Parthen overvallen, die van tijd tot tijd het land bezet houden.
39 v. Chr. Herodes de Grote verdrijft de Parthen weer en regeert als koning tot het jaar 4 v. Chr.
4 tot 1 v. Chr. Geboorte van Christus. (Niet zeker wanneer gebeurd)
30 tot 33 n. Chr. Jezus gekruisigd.
66 n. Chr. De joden komen onder leiding van de Zeloten in opstand tegen de Romeinse overheersing.
70 n. Chr. Titus onderdrukt de joodse opstand, waarbij Jeruzalem geheel verwoest wordt.
132-135 n. Chr. Voor de tweede maal komen de joden in opstand tegen Rome onder aanvoering van Bar Kochba. Keizer Hadrianus onderdrukt de opstand, verwoest Jeruzalem opnieuw en herbouwt het als de Romeinse stad "Aelia Capitolina".
330-634 n. Chr. Palestina komt onder de heerschappij van Byzantium (Constantinopel). Na de bekering van Constantijn verspreidt het christendom zich snel over het gehele land en worden er veel kerken gebouwd.
614 n. Chr. De Perzen vallen Palestina binnen. Duizenden christenen worden vermoord en honderden kerken verwoest.
636 n. Chr. De mohammedanen uit ArabiŽ veroveren Palestina en maken Jeruzalem na Mekka en Medina tot hun derde heilige stad.
1009 n. Chr. De Fatimidische kalief Hakem verwoest de kerk van het Heilige Graf en ook vele andere christelijke gebouwen. Hij opent daardoor de vijandelijkheden en steekt het vuur aan voor een oorlogsbrand, die later gedurende twee eeuwen Oost en West in de zgn. "Kruistochten" tegen elkander liet strijden.
1099 n. Chr. De Kruisvaarders veroveren Jeruzalem en stichten daar het Latijnse Koninkrijk.
1187 n. Chr. Saladin, een mohammedaans vorst uit Egypte, verslaat het leger van de christenen bij de Hoorns van Hittin. Hij maakt daardoor een einde aan het Koninkrijk van Jeruzalem.
1263 n. Chr. De Mammelukse sultan Beybars van Egypte verovert de nog overgebleven vestingen van de Kruisvaarders. De Mammelukken regeren nu 250 jaar over de kuststeden.
1400 n. Chr. Mongoolse stammen, onder aanvoering van Tamerlan, vallen Palestina binnen.
1517 n. Chr. Het Turkse Ottomaanse Keizerrijk verovert Palestina en houdt het 400 jaar in zijn bezit.
1917 n. Chr. De Geallieerden onder bevel van generaal Allenby veroveren Palestina in de eerste wereldoorlog. Dit is het jaar van de Balfour-declaratie voor een Joods Nationaal Tehuis in Palestina.
1922 n. Chr. Het Britse Mandaat over Palestina wordt bevestigd door de Volkenbond.
1947 n. Chr. De Verenigde Naties nemen een plan aan ter verdeling van Palestina tussen IsraŽl en JordaniŽ.
1948 n. Chr. BeŽindiging van het Britse Mandaat. Op 14 mei wordt door de Joodse Nationale Raad de Staat IsraŽl uitgeroepen. De eerste oorlog tussen Joden en Arabieren breekt uit.
1949 n. Chr. De oorlog eindigt met een wapenstilstand tussen IsraŽl, Egypte, SyriŽ, JordaniŽ, en Libanon. Palestina wordt verdeeld tussen IsraŽl en JordaniŽ.
5 juni 1967 Opnieuw breekt een oorlog uit tussen de Arabische landen en IsraŽl. Na 6 dagen is de oorlog beŽindigd en heeft IsraŽl het gehele schiereiland SinaÔ, de Golan-hoogten (van SyriŽ) en de westelijke Jordaanoever (van JordaniŽ) bezet.
6 oktober 1973 Onverwacht breekt een nieuwe oorlog uit tussen IsraŽl, Egypte en SyriŽ. Na 16 dagen wordt een overeenkomst van "staakt-het-vuren" bereikt.
14 mei 1998 50 Jaar onafhankelijkheid staat IsraŽl

 

Joden kunnen elke nationaliteit en kleur hebben en wonen overal ter wereld. De godsdienst van de joden is het jodendom, maar je kunt ook een jood zijn zonder godsdienstig te zijn of de joodse tradities te volgen. De orthodoxe joden geloven dat je joods bent als je moeder joods is of je kunt joods worden na heel lang studeren en het streng volgen van de joodse tradities. Sommige liberalere joden geloven dat je joods bent als een van je ouders joods is of als je het joodse geloof aanvaardt. Het grootste aantal joden woont in Amerika, namelijk 5,5 miljoen, gevolgd door IsraŽl waar 4,5 miljoen joden wonen.  

Wat geloven joden?

De joden hebben verschillende geloofsopvattingen. De liberale joden geloven dat het jodendom hun een gemeenschappelijke cultuur geeft, terwijl de orthodoxe joden zich aan de voorschriften proberen te onthouden, die door de eeuwen heen gegeven zijn. De basis van het jodendom is het geloof in ťťn eeuwige, onzichtbare God. De joden geloven ook dat ze uitgekozen waren om Gods Thora te ontvangen, het eerste deel van de Tenach (het heilige boek van de joden). Ze geloven dat ze door na te denken over de betekenis ervan en door te leven volgens de wetten die erin staan, rechtvaardigheid in de wereld te brengen. Ze geloven ook dat de Messias op het juiste moment zal komen om de volmaakte wereld te brengen.< 

De tafelen van de wet

Volgens de joden koos God hen uit om de om de Thora te ontvangen. Mozes beklom de berg SinaÔ om de Thora te horen en de geboden, uitgehouwen in stenen tafelen, naar het volk te brengen. De stenen tafelen werden bewaard in een gouden kist, de Ark, die in een prachtige tent in de woestijn stond.

De tien geboden zijn de Ďregelsí die horen bij het jodendom. Deze zijn:

1. Ik ben de Here, uw God.

2. U zult geen andere goden hebben.

3. U zult geen valse eed afleggen in Mijn naam.

4. Gedenk de sabbatdag en houd hem heilig.

5. Eer uw vader en uw moeder.

6. U zult niet doodslaan.

7. Neem niet de vrouw of de man van een ander.

8. U zult niet stelen.

9. U zult niet liegen.

10. Wees niet jaloers.

 

De zes dagen van de schepping

De joden geloven dat God op de eerste dag van de schepping de dag en de nacht maakte. De hemel en de aarde werden geschapen op de tweede dag. De zeeŽn, het land en alles wat op de grond groeit, schiep hij op de derde dag. Op de vierde dag werden de zon, maan en sterren geschapen en op de vijfde dag de vissen en de vogels. Op de zesde dag maakte God alle dieren op het land en als laatste schiep Hij de mens.

Joodse boeken

<

 

Het heilige boek van de joden is de Thora, een perkamenten rol waarop met de hand Vijf Boeken van Mozes geschreven zijn. De Thora zit om twee houten rollers gewikkeld. De Thora is het eerste deel van de Tenach (door christenen het Oude Testament genoemd). Het tweede deel is de Nebiíiem (de boeken van de Profeten). Het derde deel is de Chetoebiem dit zijn alle andere boeken zoals de Psalmen, Spreuken en de vijf Megillot (verhalen en gedichten). Hierbij horen ook vijf feesten. Andere voorbeelden van heilige joodse boeken zijn gebedenboeken en de Talmoed, een belangrijke verzameling voorschriften.

Hoe leven joodse gezinnen?

In het gezinsleven, dat zo belangrijk is in het jodendom, nemen de sabbat, de feesten en de maaltijden de belangrijkste plaats in. Er wordt geleerd, gezongen en gepraat. Het eten van koosjer voedsel en het scheiden van vlees en melkproducten zijn belangrijke kenmerken van het joodse leven. In een joods gezin leer je je ouders te eren, anderen te helpen die minder kunnen dan jij, eerbied te hebben voor oude mensen, gastvrij te zijn voor vreemden, die zieken te bezoeken en niet te roddelen of leugens over andere mensen te vertellen. Het joodse onderwijs begint thuis.

Een koosjere keuken

Volgens de regels van het kasjroet, het koosjer eten, mogen zuivelproducten (melk, kaas, boter) niet samen met vlees bereid of gegeten worden. Veel joodse gezinnen gebruiken een voedselgids om ervoor te zorgen dat al het voedsel dat ze kopen of buitenshuis eten koosjer is. Sommige gidsen geven zowel informatie over medicijnen als over het bereiden van voedsel.

De belangrijkste joodse momenten

  Besnijdenis en naamgeving

Als een jongen acht dagen oud is, wordt hij besneden. Zo wordt hij opgenomen in het verbond van Abraham. Hij krijgt zijn joodse naam en iedereen bidt dat hij gezegend mag worden met het bestuderen van de Thora, een huwelijk en goede daden. Een meisje krijgt haar naam van haar vader meteen na de geboorte of tijdens een speciale ceremonie.

Bar Mitswa

Op zijn dertiende verjaardag wordt een jongen Bar Mitswa. Dan krijgt hij dezelfde religieuze en wettelijke verplichtingen als een volwassene. Hij moet bijvoorbeeld op elke doordeweekse dag ís ochtends tefillien dragen (twee kleine leren doosjes met leren riemen). In veel gemeenschappen wordt Bar Mitswa op de sabbat in de synagoge naar voren geroepen te worden om uit de Thora te lezen, wat normaal gesproken alleen een volwassene mag doen. Meestal leest de jongen dan een gedeelte of alles van wat er die ochtend uit de Thora moet worden gelezen en spreekt hij voor het eerst de zegen uit. Om het te vieren geeft de familie een kiddoesj, een receptie, in de synagoge en een feestmaal thuis. Op de twaalfjarige leeftijd viert een meisje haar Bat Mitswa. In liberale gemeenschappen leert lezen uit de Thora. Orthodoxe meisjes vieren hun Bat Mitswa in de synagoge, thuis, op school of tijdens een ceremonie op zondagmiddag.

Het huwelijk

Een joodse bruiloft is overal ter wereld anders. Het kan een informele ceremonie in de buitenlucht zijn of een plechtige ceremonie in de synagoge. Elke bruiloft heeft een choepa, baldakijn, die het nieuwe huis symboliseert. De bruid draagt een sluier over haar gezicht en de bruidegom breekt een glas om de verwoesting van de twee tempels te herdenken.

 

Sterven en rouw

Het lichaam van een orthodoxe jood wordt altijd begraven, maar sommige liberale joden staan ook crematie toe. Na de begrafenis nemen de ouders, de man of de vrouw, zussen, broers of kinderen van degene die overleden is de sjiva in acht, een rouwperiode van zeven dagen. Ze zitten de hele dag op lage stoelen, terwijl er familieleden en vrienden langskomen om met ze te bidden, ze te troosten of om eten mee te brengen. Op de sterfdag wordt elk jaar een herdenkingskaars afgestoken en gebeden.

Bidden

Joden bidden overal, waar dan ook! Elke handeling of gebeurtenis grijpen ze aan om te bidden. Telkens als joden eten of drinken, nieuwe kleren aantrekken, slecht nieuws horen, naar bed gaan of opstaan is er wel een passend gebed. Zelfs voor joden die een lange reis maken, bestaat een gebed. Als ze niet zeker weten wat ze moeten bidden, bijvoorbeeld op een plek waar iets vreselijks is gebeurd, of juist iets heel moois, worden ze aangemoedigd hun eigen gebeden te verzinnen. In de synagoge (het joodse gebedshuis) bestaat voor elke gelegenheid een gebed.

  Hoe bidden de joden?

Vanaf ongeveer drie jaar worden joden aangemoedigd om God te betrekken in alles wat ze doen. Hiervoor worden korte gebeden opgezegd, zoals de berachot (lofuitingen) die voor elke gelegenheid zijn. Daarnaast zijn er vaste gebeden die orthodoxe joodse mannen elke dag drie keer in het Hebreeuws opzeggen. Ze worden in gedachten of hardop voorgedragen of gezongen. Veel liberale joden hebben deze gebeden ingekort en zeggen ze alleen in de synagoge op vrijdagavond, sabbatochtend en bij speciale gelegenheden. Ze bidden in een mengeling van Hebreeuws en hun eigen taal. Normaal bidden joden zittend of staand, maar sommige gebeden moeten in bed worden opgezegd, zoals het sjemagebed.

Bidden in de synagoge

De gebeden in de synagoge worden geleid door de rabbijn, de voorzanger of een gewoon iemand. In een orthodoxe synagoge worden de gebeden alleen geleid door mannen of jongens van dertien jaar en ouder. In veel liberalen synagogen worden de gebeden ook door vrouwen geleid en zitten mannen en vrouwen bij elkaar.

 

OVER SURINAAMSE JODEN, GESTORVEN IN HOLOCAUST EN OORLOG



Synagoge van de Nederlands-IsraŽlitische Gemeente (NIG) in Paramaribo 2007, Keizerstraat


 

In 2002 publiceerde de Surinaamse chirurg John de Bye in zijn 'Historische schetsen uit het Surinaamse Jodendom' (Schoorl 2002) de namen en enkele gegevens van Surinaamse joden die slachtoffer waren geworden van de Holocaust (p.245-248). Over sommigen van hen of hun families zijn nadere bijzonderheden in de Schetsen te vinden. De lijst met slachtoffers bleek De Bye ontleend te hebben aan het voormalige blad Teroenga. Dit maandblad ten behoeve van de IsraŽlitische Gemeenten in Suriname, publiceerde tussen november 1947 en februari 1948 de namen en enige bijzonderheden van de Surinaamse slachtoffers. Auteur is H.A. Samson. De heer Samson ging uit van de personen die in Suriname waren geboren, maar nam ook familieleden op die elders werden geboren. De redactie van dit blad gaf deze en andere vergelijkbare berichten de titel 'Lo Tisjkach' ('Gij zult niet vergeten') (Deut. 25,19). De heer De Bye nam deze titel over en maakte ook een Engelstalige internetversie (zie ).

Voor het project 'Bevrijding Intercultureel' vergeleek Pim Ligtvoet de lijst met namen en opmerkingen met de gegevens van de Oorlogsgravenstichting (OGS), In Memoriam/Dutchjewry (DJ) en het Joods Monument (JM). Op de site van OGS krijgen allen die, joods of niet-joods, in de Tweede wereldoorlog de dood vonden een plaats. De twee andere sites beperken zich tot de slachtoffers van de Holocaust.

Onderstaand overzicht is het resultaat van de vergelijking tussen de vier bronnen en de raadpleging van de genoemde literatuur. Daarbij wordt iedere joodse burger met een Surinaamse geboorteplaats als Surinaams beschouwd, op ťťn persoon na met de geboorteplaats Saba. Twee kinderen, twee Surinaamse voorgangers met een Nederlandse geboorteplaats en twee personen die vůůr of na de oorlogsperiode stierven, zijn zonder nummer opgenomen. Verder betreft dit overzicht overledenen en slachtoffers uit de gehele oorlogsperiode (1940-1945), niet alleen zij die in de kampen werden vermoord. De geboortedatum en de schrijfwijze van de familienaam is in de regel van de Oorlogsgravenstichting overgenomen. Ook is het archief van de Joodse Gemeente te Paramaribo in juli 2007 geraadpleegd (met dank aan mevrouw L. Duijm).

Een paar regels over de beroepen en over de deelname aan militie en verzet:

Bij de 96 namen zijn 11 artsen of echtgenotes van artsen; 5 tandartsen, 5 verpleegsters/verplegers, een apothekeres en een schoonheidsspecialiste. Er zijn 2 godsdienstleraren uit Paramaribo, met gezinsleden, 2 nabestaanden van Surinaamse rabbijnen, er zijn 3 onderwijskrachten en 1 vertaalster. 12 van de mannelijke slachtoffers, vaak gehuwd, zijn winkelier (een op de Kalverstraat) of koopman/reiziger, 1 is chef bij de Rotterdamse Bijenkorf, 1 is banketbakker. Er is 1 schoenmaker, 1 kleermaker, 1 wever. Er zijn 3 kantoorbediendes en 2 hulpen in de huishouding. Er zijn 3 hoge ambtenaren van het Gouvernement, 1 ingenieur, 1 (weduwe van een) advocaat, 1 (weduwe van een) likeurfabrikant en 1 (weduwe van een) hypotheekverzekeraar. Een mechaniciŽn zat in het verzet en kwam vanwege die activiteiten om. Dat geldt ook voor een ander, die hulp aan vluchtelingen gaf. Drie artsen waren in het leger. Een van hen stierf (vermoedelijk door zelfdoding) in de meidagen van 1940, een ander in het strafkamp Mauthausen.

Twee kinderen, twee Surinaamse voorgangers met een Nederlandse geboorteplaats en twee personen die vůůr of na de oorlogsperiode stierven, zijn zonder nummer opgenomen.

 
A. FAMILIENAMEN
  1. Bramson-Samuels
  2. Bueno Bibaz
  3. Bueno de Mesquita(-da Costa)
  4. Cahen-Taytelbaum
  5. Citroen
  6. ColaÁo Belmonte
  7. Di(Ł)nner-Benjamin
  8. Fernandes
  9. Gomperts
  10. Hen(d)rique(s)z de Granada
  11. Hilfman
  12. Jacobsen-Samson
  13. Kopinsky
  14. de Lange-Salomons
  15. Leefmans(-Bal(l)in)
  16. de Leon
  17. Levie
  18. Levy
  19. Lopes de LeaŰ Laguna-da Silva
  20. Ly(ij)ons
  21. Morpurgo
  22. Nassy
  23. de la Parra
  24. Polak(-Pinto)
  25. Pos
  26. Querido
  27. Reiss-Root
  28. Roos
  29. Samson(-Ezechiels)
  30. Samue(Ž)ls
  31. Sanders
  32. da Silva
  33. Souget
  34. Swijt
  35. Tay(ij)telbaum
  36. Vas Nunes
  37. van West
  38. (de Wilde)
  39. Wolff
Totalen:

 
         OGS
    1
    3
    3
    1
    2
    1
    1
    3
    4
    1
    2
    1
    3
    1
    2
    2
    12
    1
    1
    1
    1
    2
    5
    13
    2
    1
    1
    1
    3
    3+1
    1
    3
    1
    1
    2
    1
    1

    1
           91

 
          DJ
    1
    3
    3
    1
    2
    1
    1
    2
    4
    1
    1
    1
    3
    1
    2
    2
    12
    0
    1
    1
    1
    2
    5
    12
    2
    1
    1
    1
    3
    3
    1
    3
    1
    1
    2
    1
    1

    1
           85

 
         JM
    1
    3
    3
    1
    2
    1
    1
    2
    4
    1
    2
    1
    3
    1
    2
    2
    12
    1
    1
    1
    1
    2+1
    5
    13
    2
    1
    1
    1
    3
    2
    1
    3
    1
    1
    2
    1
    1

    1
           88

 
           S
    0
    3
    3
    0
    0
    1
    0
    3
    4
    1
    2
    0
    3
    1
    2
    2
    10+2
    0
    1
    0
    1
    1
    2
    5
    8
    1+1
    0
    0
    1
    3+1
    2
    1
    3+1
    0
    1
    2
    1
    1

    1
           76

 
<

Totalen gecombineerd: 96
OGS: Oorlogsgravenstichting
DJ: DutchJewry
JM: Joods Monument
S: Samson

 

B. INDIVIDUELE NAMEN HOLOCAUST-SLACHTOFFERS SURINAME
    (juli 2007)

 

Geboorteplaats is Paramaribo, tenzij anders vermeld.
 
+ niet bij Samson (De Bye)
S alleen/via Samson (De Bye)
OGS alleen/via Oorlogsgraven
JM alleen/via Joods Monument
[] niet in Suriname geboren
<> niet in Europa gestorven
# niet uit de oorlogsperiode

 



Joodse namen op het Surinaamse oorlogsmonument, Onafhankelijkheidsplein Paramaribo, 2007

 

 


 
  1. Rosetje Bramson-Samuels, 29 juni 1868. Zie voor mogelijke verwanten Netje Levie-Samuels (1862), Selly Alexander Gomperts-Samuels (1869) en de familie Samuels. Haar laatst bekende adres was Arnhemschebovenweg 18, Driebergen. Rosetje Bramson is vermoord in Sobibor, op 13 maart 1943. Zij was 74 jaar. Zij staat als een van de 10 omgekomen joodse burgers vermeld op de plaquette die op 4 mei 2006 op het oorlogsmonument te Paramaribo werd bevestigd (zie Suriname in WOII).

    Gezin Bibaz-Mopurgo
  2. Julia Bueno Bibaz-Morpurgo, 19 april 1862, weduwe van Samuel Bueno Bibaz, 'praktizijn' (tot 1948 de Surinaamse term voor advocaat) en tolk-vertaler Frans en Engels in Paramaribo. Samuel was geboren op 10 juli 1841 en oefende naast zijn beroep verschillende functies uit: lid van de Koloniale Staten (1906-1914) en lid van de Portugees-joodse kerkenraad. Zijn kantoor lag in de Heerenstraat, tegenover het gebouw van de Vrije Evangelisatie, dat zich richtte op de bekering van joden tot het christendom. Zijn vrouw Julia was wellicht verwant met Willy en Ivy Morpurgo (zie onder). Haar laatst bekende adres was Overtoom 491hs, Amsterdam. Daar woonde zij met twee dochters. Maandblad Teroenga schreef hierover in 1947 dat de drie vrouwen van de Duitse overheid een stempel zouden krijgen op het bewijs dat zij 'als Portugeesche Joden gevrijwaard zijn van molest. Ze gingen met drieŽn naar het aangewezen bureau. Niemand heeft meer iets van haar vernomen'. De moeder werd op 11 februari 1944 vermoord in Auschwitz, vier maanden voor haar kinderen. Julia Bueno Bibaz was 81 jaar.
     
  3. Julia ('Julie') Mathilde Bueno Bibaz, 12 december 1888, dochter van Julia Bueno Bibaz, bij wie zij met haar zuster woonde, op de Overtoom in Amsterdam. Zij behaalde haar apothekersdiploma in Suriname. Julie werd vermoord in Auschwitz, op 1 juli 1944. Zij was 55 jaar. Haar naam, Julia M. Bueno Bibaz, staat sinds 4 mei 2006 op het oorlogsmonument te Paramaribo.
     
  4. Rebecca Sellina ('Betsy') Bueno Bibaz, 30 september 1890, dochter van Julia Bueno Bibaz, bij wie zij met haar zuster Julie woonde. Zij werd op dezelfde dag en plaats als haar zuster vermoord, in Auschwitz, op 1 juli 1944. Betsy was 53 jaar.


    Hendrikschool Gravenstraat (Henck Arronstraat) 2007

     
  5. Estelle Cornelie Bueno de Mesquita-Bueno de Mesquita,
    5 oktober 1880, gepensioneerd lerares van de voorname Hendrikschool. Estelle is de zuster van Grace Julie Hilfman-Bueno de Mesquita (zie onder). Haar laatst bekende adres was Deurloostraat 104hs, Amsterdam. Hier woonde zij met haar echtgenoot. In 1941 woonde op dit adres ook het gezin van Judith Nassy-Polak (zie onder). De echtgenoot van Estelle overleefde. Zij zelf overleed in Auschwitz op 26 oktober 1944. Estelle Cornelie was 64 jaar.

    Gezin Bueno de Mesquita-da Costa
  6. Henry David Bueno de Mesquita, 7 december 1905, zoon van J.A. Bueno de Mesquita, gepensioneerd gouvernementsambtenaar ('Hoofdcommies Immigratie') en J.E. Monk, vertegenwoordiger. Hij was getrouwd met Eline da Costa. Er waren zeker twee kinderen. Het laatst bekende adres van het gezin was Acaciastraat 293, Den Haag. Henry David overleed op 23 februari 1945 in Dachau, op 39-jarige leeftijd. Zijn vrouw en kinderen waren al eerder om het leven gebracht.
  7. Eline Bueno de Mesquita-da Costa, 7 mei 1914, echtgenote van Henry David, dochter van J.A. da Costa en J. Robles. Eline werd op 8 oktober 1944 in Auschwitz vergast, evenals haar kinderen John en Henri. Zij was 30 jaar. De naam van Eline staat bij de 10 namen van joodse slachtoffers op de plaquette die op 4 mei 2006 in Paramaribo werd onthuld.
        - [] S John Jacques Bueno de Mesquita, zoon. Den Haag, 7 november 1936. Evenals zijn moeder en broer overleden op 8 oktober 1944 in Auschwitz, 7 jaar oud.
        - [] S Henri Bueno de Mesquita, zoon. Den Haag 7 januari 1943. Evenals zijn moeder en broer op 8 oktober 1944 in Auschwitz vergast, 1 jaar oud.

     
  8. Della Julietta Cahen-Tay(ij)telbaum, 28 mei 1872. Zij was een zuster van Samuel Isay Taytelbaum (Paramaribo, 28 juli 1868) en tante van Jacobi Machiel Taytelbaum (zie onder). Haar broer Samuel ging in zijn jeugd naar Europa. Hij woonde in Amsterdam en Berlijn. Terug in Suriname werd hij koopman en industrieel. Hij stierf in 1939 in Paramaribo - zie verder bij zijn zoon Jacobi. Della Julietta ging naar Nederland, waar zij trouwde met Samuel Louis Cahen. Hij stierf voor de deportaties begonnen. Vermoedelijk hadden zij samen een kind. Della Julietta overleed in de omgeving van Auschwitz op 22 oktober 1943, op de leeftijd van 71 jaar.

     
  9. Barend Isaac Citroen, 8 december 1875. Kruidenier. Vermoedelijk uit hetzelfde gezin als Jacob Isaak Citroen en Bilha Isaak Souget-Citroen (zie onder). Het laatste adres van hem en zijn gezin was Holendrechtstraat 45hs, Amsterdam. Barend stierf in Theresienstadt, minder dan twee maanden voor de bevrijding, op 12 maart 1945. Hij was 69 jaar. Zijn echtgenote heeft de oorlog overleefd, evenals een kind.

     
  10. Jacob Isaak Citroen, 2 juli 1877. Garagehouder. Vermoedelijk uit hetzelfde gezin als Barend Isaac Citroen en Bilha Isaak Souget-Citroen. Jacob was getrouwd met Florence Citroen-Amstell (Londen, 3 juli 1873). Hun laatst bekende adres was Volkerakstraat 37hs, Amsterdam. Beiden werden in Auschwitz vermoord, twee maanden na het begin van de deportaties, op 14 september 1942. Hij was 65, zij was 69 jaar.

     
  11. Rachel Eleonore Antoinette (Rosette) ColaÁo Belmonte, 25 mei 1871, dochter van Jacob ColaÁo Belmonte en Hanne van West. Verpleegster. Haar laatste adres was Ant. Heinsiusstraat 40, Den Haag. Rosette ColaÁo Belmonte kwam op 5 november 1942 in Auschwitz om het leven. Zij was 71 jaar. N.B. OGS en JM schrijven haar naam met cedille (Á), S en Dutch Jewry zonder.


    Overlijdensadvertentie van Sara DŁnner (foto: Joods Monument)

     
  12.  Debora EsriŤl DŁnner [Dinner]-Benjamin, 9 juli 1882. Debora was getrouwd met Jehuda Leopold DŁnner [Dinner], Amsterdam, 1875. Jehuda DŁnner was reiziger. De verschillende sites hanteren de naam Dinner, de advertentie in het Joodsch Weekblad schrijft DŁnner - zie de site van Joods Monument bij Hermanus Pinkhof. Er waren drie kinderen, onder wie Sara, Amsterdam, 24 april 1907. Hun laatst bekende adres was Eemsstraat 63-I, Amsterdam. Sara was gehuwd met Jacques de Jong. Sara stierf voor de aanvang van de deportaties, op 19 mei 1942, op een niet bekende plaats. Haar ouders overleden in Auschwitz, op 28 januari 1944. Jehuda was 69, Debora was 61 jaar. Drie kinderen overleefden.

    S Betsy T. Fernandes, 9 maart 1893 - zie Betsy Sanders-Fernandes

    Gezin Fernandes-Swijt
  13. Juda Daniel Fernandes, 8 mei 1865 (S heeft 5 mei), winkelier met eigen handelshuis. Hij was getrouwd met Rebecca Swijt. Er waren zeker twee dochters, Tellina Betsy (1889) en Cornelia Tellina (1896). Hun laatst bekende adres was Van Eeghenstraat 57hs, Amsterdam. Dit was een pension waar in 1941 alleen joodse huurders woonden. Onder hen was ook Selly Samuels (zie onder). Juda Daniel werd vermoord in Auschwitz, op 12 februari 1943. Hij was 77 jaar.
     
  14. Rebecca Fernandes-Swijt, 25 november 1870, echtgenote van Juda Daniel Fernandes. Jansje Parra-Swijt (1884) en Celine Telline Swijt (1905) zijn mogelijk verwanten. Rebecca werd vermoord in Auschwitz, op 12 februari 1943. Het was dezelfde dag en plaats als van haar man. Rebecca was 72 jaar. Zij wordt als een van de 10 joodse burgers op de plaquette genoemd die de Surinaamse overheid op 4 mei 2006 onthulde.

    <> # Tellina Betsy de la Fuente-Fernandes, 15 juni 1989, dochter van Juda Daniel en Rebecca Fernandes. Zij trouwde met E.S. de la Fuente, 'districtscommissaris' (burgemeester). Het echtpaar leefde in Nederlands-IndiŽ, waar een zoon werd geboren. Eduard Stephen de la Fuente, (Makasser, 9 januari 1924) werd advocaat in Nederland. Hij stierf op 4 maart 1945 in Buchenwald. Tellina Betsy de la Fuente overleed op 23 juni 1946 op het hospitaalschip Tasman, bij Tandjong Priok.
    Cornelia Tellina Fernandes, 14 maart 1896, een tweede dochter van Juda Daniel en Rebecca de la Fuente, staat onder de naam Vas Nunes-Fernandes.

     
  15. Abraham S. Fernandes

 

Abraham ('Bram') Samuel Fernandes, Paramaribo, 4 november 1906, zoon van Abraham S. Fernandes en Seline Morpurgo. Hij werkte in 1940 bij de Bataafse Petroleum Maatschappij (BPM, nu Shell) als operator van de thermische kraakinstallatie Dubbs in Pernis of Vlaardingen. In Pernis was in 1936 aan de net gegraven Petroleumhaven een nieuwe Shell-raffinaderij gebouwd. De Dubbs-installatie was daar een onderdeel van. Met zijn vrouw en de twee dochters Paula en Jetty woonde Bram Fernandes aan de Sportlaan 68 in Vlaardingen. Daar kwam hij in de eerste maanden van de oorlog in contact met de Geuzen. De Geuzen De oprichter van de verzetsgroep, Bernard IJzerdraat (Haarlem 1891), werkte als leraar handenarbeid en schoonschrijven aan enkele scholen in de regio Rotterdam. Het bombardement op die stad (14 mei 1940) en de daarop volgende capitulatie van het Nederlandse leger deed hem in actie komen. Hij schreef een oproep tot verzet, vermoedelijk genaamd ĎBericht No. 2í, kopieerde dit met de hand en verdeelde het als kettingbrief onder vrienden en bekenden. Hij maakte nog meer Geuzen-berichten, en noemde het handgeschreven blaadje vanaf juli 1940 ĎDe Geus van 1940í. De naam verwijst naar het verzet in de 16e eeuw tegen de Spaanse overheersing dat leidde tot een onafhankelijk Nederland.

 

Waterweg Een bekende van IJzerdraat, de Vlaardinger Jan Kijne, zocht contact met Arij Kop, secretaris van de wandelvereniging Flardinga. Bij deze groep, met ook leden in Schiedam en Maassluis, kreeg IJzerdraats oproep direct onthaal. Verschillenden van hen werkten op de scheepswerf van Wilton-Feijenoord. Anderen waren schipper, marineman, schilder, instrumentenmaker, hulpagent van politie of werkten, zoals Bram Fernandes, bij bedrijven als Shell. Er ontstond een netwerk langs de Nieuwe Waterweg tussen Maassluis en Rotterdam, later ook in Delft en verder in Zuid- en Noord-Holland. Dat werd de verzetsgroep de Geuzen. In de berichten werden plannen en aanwijzingen doorgegeven. Na verloop van enkele maanden waren honderden personen bij de groep betrokken. Leden legden de Geuzeneed af, die als volgt luidde: ďIk beloof in deze ernstige tijden een goede Nederlandse Geus te zijn, de Geuzenwet en de voorschriften van de commandanten op te volgen. Wanneer ik op de ťťn of andere wijze mijn belofte schend, vervallen al mijn eigendommen aan het Geuzenleger, of wanneer dit niet meer bestaat, aan de Nederlandse Staat.Ē Een ingrijpende belofte, waarvan niet duidelijk is of en hoe de bepalingen werden gehandhaafd.

 

Sabotage Op een aantal sites, zoals die van het Verzetsmuseum, Go2War, de Waalsdorper Vlakte (ĎErepelotoní) en het 4-5 mei Comitť, is te lezen wat de verzetsgroep deed. Duitse verdedigingswerken werden in kaart gebracht en aan Londen doorgegeven. Men verzamelde wapens, maakte primitieve springstoffen, deed aan sabotage en zocht ontsnappingswegen naar Engeland. Ook stelden de Geuzen lijsten op van NSBíers, collaborateurs en ĎMoffenmeidení. Je kunt je afvragen hoe objectief die lijsten waren. Volgens Go2War kwam van werkelijke sabotage niet veel terecht. Het bleef bij een beperkt aantal acties: de lichtkabel van de zoeklichtbatterij rondom Rotterdam werd doorgesneden, evenals telefoonleidingen van de stellingen van Hoek van Holland, en soms werden Duitse soldaten in het geheim uit de weg geruimd. Jan Anderson van het Streekmuseum vertelt ook over Vlaardingen dat de Geuzen telefoonkabels doorsneden, waardoor de Duitsers geen verbinding meer hadden tussen de zoeklichten buiten de stad en het afweergeschut in de stad. Wat betreft de rol van Abraham Fernandes is het voorstelbaar dat hij betrokken was bij sabotageacties op de raffinaderij, die voor de Duitse oorlogsvoering van groot belang was.

Arrestaties In november 1940 kwam de Sicherheitspolizei achter het bestaan van de verzetsgroep. In vergelijking met de Duitse inlichtingendiensten was men amateuristisch. Zo kwamen gegevens over geheime wapenvoorraden in Schiedam door loslippigheid van een Geus die tot de Wilton-Feijenoordgroep hoorde, bij een NSB-er in Arnhem terecht. Men kwam nu al gauw achter de namen van Geuzen bij Wilton-Feijenoord en de wandelvereniging Flardinga. Op 28 november werd in Haarlem Bernard IJzerdraat opgepakt. Op zijn adres werden wapens en adressen gevonden. In december, januari en februari gingen de arrestaties door. Op 24 februari was het de beurt aan 28 personen, onder wie Bram Fernandes. Een buurmeisje, Joke Petterson, zag een zwarte auto op 24 februari 1941 de straat inrijden. ĎOme Bramí werd meegenomen en ging, zoals alle leden van de verzetsgroep, naar de Strafgevangenis van Scheveningen, die later Ďhet Oranjehotelí werd genoemd. Vaak probeerde men door marteling informatie uit hen te krijgen.

Aanklacht Op diezelfde dag stonden drieŽnveertig Geuzen in het gebouw van de Hoge Raad (Den Haag) voor de Duitse militaire rechtbank, het ĎFeldgericht des Kommandierenden Generals und Befehlshabers im Luftgau Hollandí. De beklaagden werden blijkbaar, zoals zij zichzelf ook zagen, als een (Geuzen)leger behandeld. Ze werden onder meer beschuldigd van spionage, het ongeoorloofd bezit van wapens en beschadiging van militaire installaties.

Overlijden Of ook Fernandes op grond van deze aanklacht werd opgepakt is niet bekend. Een week na zijn arrestatie, op 4 maart 1941, overleed hij in de Scheveningse gevangenis, vermoedelijk aan de gevolgen van martelingen. Hij was 34 jaar. Een andere Geus, Ko Boezeman uit Maassluis was hem op deze manier op 9 januari voorgegaan. Zonder proces of veroordeling.

Executies Op diezelfde 4 maart 1941 was de uitspraak van het Feldgericht in het officiŽle Geuzenproces: achttien doodvonnissen, negentien maal gevangenis- of tuchtstraf en zes maal vrijspraak. De schok bij de gevangenen was heftig. De advocaten vroegen gratie en rekenden erop dat die zou worden verleend. Op 11 maart 1941 bevestigde generaal Christiansen echter het vonnis voor vijftien van de ter dood veroordeelden. Twee dagen later werd het vonnis voltrokken. Drie communisten die tijdens de Februaristaking (25 februari) waren opgepakt werden aan het groepje van vijftien toegevoegd, waarmee het totaal op achttien kwam. Van hen was Joop Eyl evenals Bram Fernandes joods. De mannen werden in vrachtautoís naar de Waalsdorpervlakte in de Haagse duinen gebracht en gefusilleerd. Het was de eerste serie van executies die op deze vlakte plaatsvond.<

Verzetsgedicht Jan Campert maakte als reactie zijn gedicht ĎDe achttien dodení, met de bekende beginregels ĎEen cel is maar twee meter lang, en nauw twee meter breed, wel kleiner nog is het stuk grond, dat ik nu nog niet weet, maar waar ik naamloos rusten zalí. Begin 1943 werd er door illegale uitgevers (De Bezige Bij) een rijmprent van gemaakt. De opbrengst van de verkoop kwam ten goede aan de redding van joodse kinderen. Ko Boezeman en Bram Fernandes, en misschien nog anderen, kunnen symbolisch tot deze Achttien Doden worden gerekend.

Vervolg Na de dood van Abraham vertrok het gezin Fernandes onmiddellijk uit Vlaardingen, naar Amsterdam of Halfweg. Het gezin overleefde de oorlog en de eventuele gevolgen van de betrokkenheid bij het Geuzenverzet en de jodenvervolging. Abraham Fernandes ontving postuum het Verzetsherdenkingskruis en werd herbegraven op het Nederlands ereveld Loenen bij Apeldoorn (nr. 160). Zijn naam staat (vermoedelijk tweemaal) bij de verzetsstrijders op de plaquette die de Surinaamse regering op 4 mei 2006 onthulde.

 

Herdenkingen Siebe Idzinga groeide op in het Vlaardingse huis waar de familie Fernandes woonde en hoorde bij toeval een oproep van het vroegere buurmeisje Joke Petterson. Hij wilde weten wat er was gebeurd en verzamelde veel materiaal, dat zijn neerslag zal vinden in een lezing op 24 februari 2009 en een publicatie van het Streekmuseum. De Stichting Geuzenverzet 1940-1945 staat op 13 maart 2009 tijdens de uitreiking van de Geuzenpenning stil bij de rol van Abraham S. Fernandes. Grafsteen Vlaardingen Jan Anderson, medewerker van het Streekmuseum Vlaardingen en Geuzenkenner, vindt dat er op Begraafplaats Emmaus een grafsteen voor Fernandes moet komen. Op deze begraafplaats liggen zes Vlaardingse Geuzen begraven. Verder staan er negen grafstenen voor de Geuzen die elders in Nederland begraven liggen. Bronnen: - Vinny Talor, Vlaardingen eert vergeten Surinaamse verzetsheld, 5 januari 2009
- Algemeen Dagblad 23 december 2008 - De Weekkrant 12 maart 2008 - Liesbeth van der Horst, Wereldoorlog in de West, p. 140 - Hans Molier, De fusillade van achttien mannen op de Waalsdorpervlakte op 13 maart 1941

Echtpaar Gomperts-Samuels David Coenraad Gomperts, 21 mei 1863 (S heeft 22 mei, De Bye 'Schetsen' 20 mei), arts, eigenaar van de plantage Ma Retraite. Hij was districtsgeneesheer in de gebieden Boven-Para en Saramacca. In 1902 kreeg hij in verband met de tropenjaren eervol ontslag. Hij legde zich toe op het beheer van zijn plantage. Ook was hij enige tijd lid van het armbestuur van de Nederlands IsraŽlitische Gemeente (NIG). In 1934 werd Gomperts tot ridder in de orde van Oranje-Nassau benoemd. De site van JM schrijft op basis van de studie van J.H. Coppenhagen het volgende: David Coenraad Gomperts (ook wel gespeld als Gompertz) studeerde geneeskunde in Paramaribo. Hij legde het artsexamen af in 1889. Hij vestigde zich in 1914 in Nederland, in Den Haag aan de Groot Hertoginnelaan 248, als rustend geneesheer. Hij was directeur van de Cultuurmaatschappij. David Coenraad Gomperts was getrouwd met Selly Alexander Samuels'. Hun laatst bekende adres was Groot Hertoginnelaan 243. David Coenraad werd op 7 mei 1943 evenals zijn vrouw in Sobibor vergast. Hij was 80 jaar. Selly Alexander Gomperts-Samuels, 22 januari 1869, echtgenote van David Coenraad Gomperts (zie boven). Voor mogelijke familieleden zie Rosetje Bramson-Samuels (1868), Netje Levie-Samuels (1862) en de familie Samuels. Mevrouw Gomperts-Samuels werd evenals haar man op 7 mei 1943 in Sobibor vergast. Zij was 74 jaar oud. Drie verwanten van het echtpaar overleefden de Sjoa. >Cosman ('Cos') Abraham Gomperts, 13 oktober 1889 (S schrijft 1898), zoon van A.S. Gomperts en Rosette Leefmans. Arts. De site van het Joods Monument schrijft op basis van J.H. Coppenhagen het volgende: 'Cosman Abraham Gomperts (ook wel gespeld als Gompertz) studeerde geneeskunde in Groningen. Hij legde het artsexamen af op 26 november 1925. Hij woonde en praktiseerde in de GabriŽl Metsustraat 32, Amsterdam.' De Metsustraat 32hs was ook zijn laatst bekende adres. Dokter Cos Gomperts stierf op 1 oktober 1944 in Auschwitz, op 46-jarige leeftijd. Zijn echtgenote en een kind overleefden. Daniel Eliazer Gomperts, 5 december 1898, zoon van Eliazer C. Gomperts en R. Abarbanel. Hij trouwde met Charlotte Fanny Hamburger, geboren in Delft, op 16 augustus 1889. Het echtpaar had een winkel. Hun laatst bekende adres was: Utrechtschestraat 39hs, Amsterdam. Beiden werden op 5 maart 1943 in Sobibor vergast. Daniel werd 44 jaar, Charlotte 53 jaar. De naam DaniŽl E. Gomperts staat sinds 4 mei 2006 op het oorlogsmonument te Paramaribo.

 

Paleis Gouverneur (President) Oranjeplein (Onafhankelijkheidsplein) 2007 Samuel Henriquez de Granada, 17 juli 1873, (S schrijft Hendriques). De heer Henriquez doorliep een gewichtige carriŤre bij het gouvernement. In december 1892 begon hij als surnumerair op de griffie van de Koloniale Staten. Een familielid, Jacques Henriques de Granada (1835), was de eerste griffier der Staten geweest en het tot zijn dood in maart 1892 gebleven. Nog geen vier jaar later was Samuel districtsklerk, en in oktober 1903 commies bij het Immigratie Departement. Dit regelde de werving, verdeling, bescherming en eventuele terugkeer van contractarbeiders uit Brits- en Nederlands-Indie. Van 1906 (waarnemend) dan wel 1909 (definitief) tot 1921 bekleedde Samuel de functie van districtscommissaris (burgemeester) van het district Beneden-Commewijne. In juni 1921 werd hij als oudste districtscommissaris tot waarnemend Agent-Generaal voor de Immigratie, dus hoofd van het Departement, benoemd. De immigratie zelf werd in die jaren overigens steeds minder belangrijk. Tegelijk zocht men een echt-Surinaams lid voor de Raad van Bestuur in Suriname, en in mei 1922 werd hij als gewoon lid van deze Raad aangesteld. Op 1 januari 1925 volgde zijn definitieve benoeming tot Agent-Generaal. In hetzelfde jaar ging Samuel voor verlof naar Nederland. Hij keerde niet meer naar Suriname terug. Zijn laatst bekende adres was Sweelinckplein 73, Den Haag. Samuel Henriquez de Granada kwam om het leven in het Tsjechische kamp Theresienstadt, op 11 augustus 1944. Hij was 71 jaar. Bron naast Teroenga en John J. de Bye: Wikipedia

Portugees-Israelitische Synagoge Heerenstraat 2007 Familie Hilfman-Bueno de Mesquita [] + OGS Pinkus (Bernard) Hilfman (Aalten, 23 januari 1877) Pincus A. Hilfman in De Bye, Schetsen), was gedurende twintig jaar godsdienstleraar en talmoedgeleerde van de Portugees IsraŽlitische Gemeente (PIG) in Paramaribo. Hij volgde in die functie David de Isaac Querido op (1893-1896; zie Rebecca Querido). Hilfman werd geboren in een orthodox milieu te Aalten. Zowel zijn vader als de vader van zijn moeder waren talmoedgeleerden. Hij ging studeren aan het Nederlands Israelitisch Seminarium te Amsterdam, waar hij in 1900 of 1901 zijn examen godsdienstonderwijzer behaalde. Op 1 maart 1901 vertrok hij naar Suriname om er zijn beroep uit te gaan oefenen. Zijn entree-predicatie werd door de gouverneur bijgewoond. Nog in hetzelfde jaar liep Hilfman de gele koorts op, maar hij herstelde. Op 24 december trouwde hij met Grace Julie Bueno de Mesquita, die hij in Paramaribo had leren kennen. Zijn ambtscollega van de Hoogduitse Gemeente (NIG), Jacob Roos, zegende het huwelijk in. Het paar kreeg drie kinderen (zie onder). Pinkus Hilfman schreef een groot aantal publicaties, waaronder 'Notes on the History of the Jews in Surinam' (1909). In 1922 werd hij, in verband met de tropenjaren, gepensioneerd. Het gezin ging terug naar Nederland en vestigde zich aanvankelijk in Den Haag. Men woonde vervolgens ook in Antwerpen en Amsterdam. Pinkus Hilfman overleed op 27 januari 1943 in Amsterdam, en werd op de joodse begraafplaats in Diemen begraven. Hij werd 66 jaar. Op de site van JM komt onderstaand overlijdensbericht uit het Joodsch Weekblad voor.

 

Overlijdensadvertentie van Pinkus Hilfman (foto: Joods Monument) Grace Julie Hilfman-Bueno de Mesquita, 9 augustus 1879. Grace Julie was echtgenote van de godsdienstonderwijzer van de Portugees-Joodse Gemeente (PIG) en een jongere zus van Estelle Cornelie Bueno de Mesquita (zie boven). Het echtpaar Hilfman-Bueno de Mesquita kreeg drie kinderen, onder wie zoon Rudolf. Kleindochter Moana Hilfman, dochter van Rudolf, schreef in een e-mail (2005) het volgende: 'In de getypte verklaring die het Nederlandsche Roode Kruis op 20 januari 1948 uitgaf, wordt aangegeven dat mijn grootmoeder, "Grace Julie Hilfman-Bueno de Mesquita, geboren 9 augustus 1879 te Paramaribo, laatste adres: Pres. Brandstraat 24hs te Amsterdam, op 25 februari 1944 naar Theresienstadt gedeporteerd werd. - Op 16 mei 1944 werd [zij] voornoemd van Theresienstadt uit verder vervoerd met bestemming Auschwitz. - [...] verklaart voorts, dat de personen, die op 16 mei 1944 van Theresienstadt naar Auschwitz werden gedeporteerd tot ca. begin juli 1944 in of in de omgeving van Auschwitz aan de gevolgen van vergassing zijn overleden. - [...] Grace Julie Hilfman-Bueno de Mesquita werd 64 jaar. Haar zoon Rudolf en zijn vrouw (zie onder) werden een jaar voor haar vermoord. De naam Grace Julie Hilfman kwam in geen van de bekende websites van de Holocaust-slachtoffers voor. Sinds september 2005 staan zij, haar zoon en diens vrouw vermeld op de site van de Oorlogsgravenstichting. Rudolf Hilfman, 1 maart 1906, zoon van Pinkus en Grace Julie Hilfman. Handelsreiziger. Hij was getrouwd met Jochťbed Henriette Hilfman-Levisson, Amsterdam, 13 maart 1908. Hun laatst bekende adres was Blasiusstraat 113-III, Amsterdam. Beide echtgenoten werden op 2 juli 1943 in Sobibor vergast. Rudolf was 37 jaar, Jochťbed 35 jaar. Hun dochter Moana overleefde. Mevrouw Moana Hilfman verklaarde in een e-mail (2005) het volgende: 'Mijn vader, Rudolf Hilfman, een van de drie kinderen van Pinkus Hilfman en Grace Julie Bueno de Mesquita, is op 29 juni 1943 naar Sobibor gedeporteerd en daar op of omstreeks 2 juli 1943 omgekomen. In zijn laatste paspoort, dat in mijn bezit is, wordt hij als 'handelsreiziger' vermeld.'

 

Johtje Vos in de negentiger jaren (foto: The New York Times) In de New York Times van 4 november 2007 staat meer te lezen over het gezin Hilfman-Levisson. Barbara Moorman vertelt (Glenford, NY) hoe haar moeder Johtje Kuyper (journalist, kleindochter van staatsman Abraham Kuyper) en haar tweede echtgenoot, Aart Vos, tijdens de oorlog in hun Larense huis 36 joodse Nederlanders het leven redden. Johtje wilde ook het gezin Hilfman-Levisson bij hen laten onderduiken. Moanaís ouders weigerden echter. Ze zeiden: Ďwij zijn joden; dit is ons lotí. Johtje Vos smeekte hen dan toch hun 3 jaar oude dochtertje een kans op overleven te gunnen. In de nacht dat Rudolf en Jochťbed werden opgehaald gaven zij Moana mee met een vriend, die haar naar het echtpaar Vos bracht. Moana Hilfman werd als een van hun eigen kinderen behandeld en overleefde. [met dank aan John Brouwer de Koning] + Sophie Louise Jacobsen-Samson, 7 juli 1885. Zij was een dochter van Jacob Marcus Samson en Hester/Estelle Elisabeth Samethini en vermoedelijk verwant met Judith de la Parra-Samson (Paramaribo, 21 juli 1884), eveneens wonend in Den Haag.

 

Leopold Bernard Jacobsen (foto: Joods Monument) Sophie Louise Samson trouwde met Leopold Bernard Jacobsen (Meppel, 11 oktober 1879), likeurfabrikant. Deze was een enthousiast lid van de Haagse schaakvereniging 'Discendo Discimus' in Den Haag. Leopold schreef het clublied en droeg bij feestelijke gelegenheden gedichten voor (www.joodsmonument.nl). Het echtpaar kreeg minstens drie kinderen; Emmy, Margo en Rudolf. Van hen woonde er in 1942 ťťn thuis. Het laatst bekende adres van de echtgenoten was de Zeestraat 73 in Den Haag. Op 12 februari 1943 werden beiden in Auschwitz vergast. Sophie Louise was 57, haar man 63 jaar. De drie kinderen overleefden. Eťn was ondergedoken, de ander gemengd gehuwd en de laatste was in het buitenland woonachtig. [Met dank aan Helmus Liekele, e-mail maart 2009] Broers Kopinsky Salomon Eduard Kopinsky, 17 augustus 1897, zoon van Selig Kopinsky en Elisabeth Nunes. Hij was getrouwd met Sara Morpurgo (Amsterdam, 3 december 1894). Er waren twee dochters, Elisabeth (Amsterdam, 16 april 1922) en Gracia (idem, 19 augustus 1926). Het laatst bekende adres was Dijkstraat 45-II in Amsterdam, bij de Nieuwmarkt. Het beroep van Salomon was toen koopman, van Elisabeth broekennaaister. Gracia was leerling confectiewerker. De gezinsleden werden op verschillende data vermoord. De beide dochters in Auschwitz, kort na het begin van de deportaties. Elisabeth op 18 september 1942, 20 jaar oud. Gracia op 30 september 1942, 16 jaar oud. Sara werd acht maanden later, op 28 mei 1943, in Sobibor vergast. Zij was 48. Salomon stierf, evenals zijn broer Seling, op 31 maart 1944 in Centraal Europa, op 46-jarige leeftijd. Van het gezin is een JOKOS-dossier: een claim bij de Bondsrepubliek Duitsland op geroofde huisraad. Seling / Celig Kopinsky, 24 mei 1908, jongere broer van Salomon Eduard. Hij was getrouwd met Henriette Logcher (Amsterdam, 7 september 1914). Beiden waren kantoorbediende. Er was ťťn kind, Nick (Amsterdam, 17 augustus 1935). Het laatst bekende adres van het gezin was de Niersstraat 18-I in Amsterdam, Rivierenbuurt. Nick werd samen met zijn moeder op 22 oktober 1943 in Auschwitz vergast. Zij was 29 jaar, hij was 8 jaar. Seling stierf op dezelfde tijd en plaats als zijn broer Salomon, 31 maart 1944 in Centraal Europa. Hij was 35 jaar. Van het gezin is een JOKOS-dossier: een claim bij de Bondsrepubliek Duitsland op geroofde huisraad. >Leonard ('Leo') Kopinsky, 10 december 1909 (DJ en JM hebben 10 februari i.p.v. 10 december), jongere broer van Salomon en Seling. Zijn laatst bekende adres was Rijnstraat 207-III te Amsterdam. Leo's beroep was kleermaker. Hij overleed aan het eind van de oorlog in kamp Dachau, op 23 maart 1945. Leonard werd 35 jaar. Sophie de Lange-Salomons, 14 april 1911, dochter van Abraham Salomons, koopman en Reinie Pos. Zij trouwde met Elias Johan de Lange (Amsterdam, 8 maart 1907), bouwkundige. Er waren twee kinderen. Het laatste adres van het echtpaar was J.W. Brouwersstraat 15hs, Amsterdam, vlakbij het Concertgebouw. Sophie stierf op 3 september 1943 in Auschwitz, op 32-jarige leeftijd. Haar man stierf zeven maanden later in hetzelfde kamp, op 31 maart 1944. Hij was 37 jaar. De kinderen overleefden.

Heerenstraat, Paramaribo (foto: webserv.nhl.nl)

Links de toegangspoort tot de Portugese Synagoge, daarachter de torens van de kathedraal.

Gezin Leefmans-Ballin Helene Elise Leefmans-Bal(l)in, 29 maart 1859, weduwe van Leefman Cos Leefmans, koopman; dochter van Barnat Ballin en Rebecca Bueno de Mesquita. Zij was in Paramaribo getrouwd. Haar laatst bekende adres was Frans van Mierisstraat 77hs, Amsterdam. Haar nicht Elisabeth Lyons woonde in de nabijgelegen Ruysdaelstraat (zie onder). Helene Elise woonde samen met haar dochter Estelle (zie onder). Beiden werden naar Bergen-Belsen gedeporteerd. Mevrouw Leefmans-Bal(l)in kwam daar op 8 mei 1944 om het leven, 85 jaar oud. Estelle Rachel Leefmans, 21 augustus 1888, dochter van Cos en Helene Leefmans. In 1941 woonde zij met haar moeder in de Frans van Mierisstraat te Amsterdam. Estelle was blind. Op 27 maart 1944 kwam zij in kamp Bergen-Belsen om het leven, zes weken voor haar moeder. Estelle Rachel was 55 jaar. (met dank aan mevrouw Anne E. Otto, achterkleindochter van Helene Elise Leefmans, sept. 2006) Zusters de Leon(-Fernandes) Wilhelmina Hilda ('Leonie') de Leon, 30 oktober 1898, dochter van Isaac de Leon en Esther J. Fernandes. Verpleegster. Haar laatste adres was Hectorstraat 35hs, Amsterdam, waar ze samen met haar zuster Georgine woonde. Evenals zij kwam Leonie de Leon op 31 december 1944 in Auschwitz om het leven. Zij was 46 jaar. Georgine Elizabeth Heloise de Leon, 10 januari 1902, jongere zuster van Leonie de Leon, eveneens verpleegster. Haar laatst bekende adres was de woning van haar zus. Georgine kwam op dezelfde dag en plaats om het leven, op 31 december 1944 in Auschwitz. Zij was 41 jaar.

1) Salomon IsriŽl/Israel Levie, 9 april 1892. Door S genoemd als zoon van Israel S(alomon) Levie en Netje Samuels. S schrijft 10 april en verwisselt hem met Salomon Hartog Levie (19 augustus 1896). Het Joods Monument laat de tweede voornaam weg. Salomon IsriŽl Levie was banketbakker. Hij trouwde met Anna Sjouwerman (Amsterdam, 27 juni 1892). Het echtpaar kreeg twee kinderen: IsriŽl Salomon (Amsterdam, 28 februari 1927) en Theodoor Salomon (idem, 31 juli 1928). Hun laatst bekende adres was de Tweede Boerhaavestraat 66-II in Amsterdam. Anna Levie-Sjouwerman en de jongste zoon, Theodoor Salomon, kwamen op 24 september 1942 in Auschwitz om het leven, twee maanden na het begin van de deportaties. Anna was 51 jaar, Theodoor was 14. Salomon IsriŽl en de oudste zoon IsriŽl Salomon hebben als overlijdensdatum 31 januari 1943. Zij waren 46 en 15 jaar oud.

2) Aron Israel/IsriŽl (bij S) Levie, 4 juli 1896, broer van Salomon IsriŽl en Marcus Israel Levie. Aron was schoenmaker. Hij trouwde met Duifje Engelander (Amsterdam, 22 april 1890). Er kwamen twee kinderen: Jeannette (Amsterdam, 14 november 1924) en Rosa (idem, 20 april 1929). Het laatst bekende adres van het gezin was de Tweede Jan Steenstraat 56-II in Amsterdam. De ouders en de jongste dochter werden op 15 december 1942 in Auschwitz vermoord. De oudste dochter bijna drie maanden eerder, op 30 september 1942. Aron IsriŽl was 46, Duifje 52, Jeannette 17 en Rosa 13 jaar oud.

3) S Marcus Israel Levie, 9 oktober 1900, broer van Salomon Israel Levie (zie boven). Zijn naam komt niet voor op de sites van OGS, JM en In Memoriam.

4) Bernard IsriŽl/Israel (bij S) Levie, 13 oktober 1902, broer van Salomon IsriŽl, Aron Israel en en Marcus Israel Levie. Hij trouwde met Helena Nathan (Arnhem, 23 november 1900). Er waren geen kinderen. Bernard was handelsreiziger. Het laatst bekende adres van het echtpaar was Rozengracht 70hs in Amsterdam. Het echtpaar werd op 2 juli 1943 in Sobibor vergast. Bernard IsriŽl was 41, zijn vrouw Helena 42 jaar. De naam van Bernard Israel Levie staat in de lijst met 10 joodse slachtoffers op de plaquette die op 4 mei 2006 op het oorlogsmonument van Paramaribo werd aangebracht (zie Suriname in WOII).

De Keizerstraat in Paramaribo, waar de Hoogduitse Synagoge gevestigd is (foto: webserv.nhl.nl) Gezin Levie-van der Rhijn Hartog Salomon Levie, 20 december 1869. Echtgenoot van Flora van der Rhijn, Groningen 27 december 1863. Het echtpaar woonde aanvankelijk in Suriname, waar dochter Louisa werd geboren (zie onder). Het laatste adres van het gezin was Oosterpark 76, bovenhuis, Amsterdam. Hartog Salomon en Flora Levie werden op 16 april 1943 in Sobibor vergast. Hij was 63, zij was 69 jaar. 

Louisa ('Louise') Levie, 2 januari 1898. Dochter van Hartog Salomon en Flora Levie-van der Rhijn. Haar laatste adres was bij haar ouders, Oosterpark 76 in Amsterdam. Haar overlijdensdatum (Sobibor, 6 april 1943) is een verschrijving. Louise werd op 2 of 3 april 1943 na verraad (?) naar Westerbork gebracht. De datum 6 april, die www.ogs.nl en het Joods Monument hanteren, was de deportatiedag. Zij werd op 9 april vergast. Louise was 44 jaar. Met dank aan de heer Pinchas Bar-Efrat (september 2007). Echtpaar Levie-Levie< Salomon Hartog Levie, 19 augustus 1896, door S verwisseld met de oudere Salomon Israel Levie (9 april 1892) - zie onder. Salomon Hartog was wellicht een zoon van Hartog Salomon Levie (zie boven). Salomon Hartog trouwde met Julie Levie. Het echtpaar had een winkel aan de Kalverstraat 94. Hij werd op 7 september 1943 in Auschwitz vermoord, op dezelfde plaats en tijd als zijn vrouw. Salomon Hartog werd 46 jaar. Julie Mathilde Levie-Levie, 11 juli 1901, dochter van Isaak J. Levie en Esther E. Pinto, echtgenote niet van Salomon Israel (zoals S aanneemt), maar van Salomon Hartog Levie. Het echtpaar had een winkel aan de Kalverstraat. Julie Mathilde werd op 7 september 1943 in Auschwitz vermoord, op dezelfde plaats en tijd als haar man. Ze was 42 jaar. Haar broer Juda en zijn gezin ontkwamen evenmin. Gezin Levie-Blog < Juda Israel Levie, 22 februari 1899, oudere broer van Julie M. Levie (zie boven). Hij was afdelingshoofd van het warenhuis De Bijenkorf te Rotterdam en procuratiehouder. Juda was getrouwd met Mietje Levie-Blog (Amsterdam, 23 oktober 1897). Het echtpaar had een kind, Fritz Jack, dat in Amsterdam geboren werd (22 juni 1928). Het laatst bekende adres van het gezin was de Van der Palmstraat 61 in Voorburg. Het gezin werd verraden (?) en naar kamp Vught gestuurd. Vandaar werden zij op 24 mei 1943 naar Westerbork gestuurd, waar zij de volgende dag werden 'doorgezonden'. Op 28 mei 1943 werden Juda (44 jaar), Mietje (45 jaar) en Fritz (14 jaar) in Sobibor vergast. 2844 andere uit Nederland afkomstige joden stierven daar op dezelfde dag. De overlijdensdatum 28 mei 1944 die de database van DutchJewry en het Joods Monument heeft, moet op een verschrijving berusten. De Nederlandse transporten naar Sobibor stopten op 23 juli 1943. Met dank aan de heer Pinchas Bar-Efrat (september 2007). >Familie Levie-Samuels + Netje Levie-Samuels, 2 maart 1862, weduwe van Israel S. Levie, moeder van Salomon Israel Levie en gezien de (spelling van de) tweede voornaam vermoedelijk ook van Aron IsriŽl, Marcus Israel en Bernard IsriŽl Levie (zie onder). S noemt haar maar vermeldt haar niet als slachtoffer. Voor mogelijke verwanten zie Rosetje Bramson-Samuels (1868), Selly Alexander Gomperts-Samuels (1869) en familie Samuels. Haar laatst bekende adres was Uithoornstraat 37-I in Amsterdam. Daar woonde zij met het echtpaar Leuw en het gezin Hoogstraal. Netje Levie-Samuels werd op 26 februari 1943 in Auschwitz vermoord, vier weken na haar zoon Salomon en kleinzoon IsriŽl. Netje was 80 jaar.< Salomon IsriŽl/Israel (bij S) S(alomon) Levie en Netje Samuels. S schrijft 10 april en verwisselt hem met Salomon Hartog Levie (19 augustus 1896). Het Joods Monument laat de tweede voornaam weg. Salomon IsriŽl Levie was banketbakker. Hij trouwde met Anna Sjouwerman (Amsterdam, 27 juni 1892). Het echtpaar kreeg twee kinderen: IsriŽl Salomon (Amsterdam, 28 februari 1927) en Theodoor Salomon (idem, 31 juli 1928). Hun laatst bekende adres was de Tweede Boerhaavestraat 66-II in Amsterdam. Anna Levie-Sjouwerman en de jongste zoon, Theodoor Salomon, kwamen op 24 september 1942 in Auschwitz om het leven, twee maanden na het begin van de deportaties. Anna was 51 jaar, Theodoor was 14. Salomon IsriŽl en de oudste zoon IsriŽl Salomon hebben als overlijdensdatum 31 januari 1943. Zij waren 46 en 15 jaar oud. Aron Israel/IsriŽl (bij S) Levie, 4 juli 1896, broer van Salomon IsriŽl en Marcus Israel Levie. Aron was schoenmaker. Hij trouwde met Duifje Engelander (Amsterdam, 22 april 1890). Er kwamen twee kinderen: Jeannette (Amsterdam, 14 november 1924) en Rosa (idem, 20 april 1929). Het laatst bekende adres van het gezin was de Tweede Jan Steenstraat 56-II in Amsterdam. De ouders en de jongste dochter werden op 15 december 1942 in Auschwitz vermoord. De oudste dochter bijna drie maanden eerder, op 30 september 1942. Aron IsriŽl was 46, Duifje 52, Jeannette 17 en Rosa 13 jaar oud. S Marcus Israel Levie, 9 oktober 1900, broer van Salomon Israel Levie (zie boven). Zijn naam komt niet voor op de sites van OGS, JM en In Memoriam. Bernard IsriŽl/Israel (bij S) Levie, 13 oktober 1902, broer van Salomon IsriŽl, Aron Israel en en Marcus Israel Levie. Hij trouwde met Helena Nathan (Arnhem, 23 november 1900). Er waren geen kinderen. Bernard was handelsreiziger. Het laatst bekende adres van het echtpaar was Rozengracht 70hs in Amsterdam. Het echtpaar werd op 2 juli 1943 in Sobibor vergast. Bernard IsriŽl was 41, zijn vrouw Helena 42 jaar. De naam van Bernard Israel Levie staat in de lijst met 10 joodse slachtoffers op de plaquette die op 4 mei 2006 op het oorlogsmonument van Paramaribo werd aangebracht (zie Suriname in WOII). Zusters Levie Sara Celine Levie, 25 juli 1889 (S schrijft 8 juli). Hulp in de huishouding. Haar laatst bekende adres was de Uithoornstraat 51-I in Amsterdam. Het is niet onmogelijk dat Sara Celine familie was van Netje Levie-Samuels en haar bovengenoemde zoons. Netje Levie woonde in dezelfde straat, op nummer 37-I. Sara woonde samen met haar familieleden Betje en Rosette. Allen werden op 3 december 1942 in Auschwitz vergast. Sara Celine was 53 jaar. < Betje Levie, 21 oktober 1890. Boekhouder. Zij woonde samen met Sara en Rosette Levie, vermoedelijk zusters, op de Uithoornstraat 57-I in Amsterdam. Betje werd evenals haar verwanten op 3 dember 1942 in Auschwitz vergast. Zij was 51 jaar. Rozette/Rosette (bij S) Levie, 11 maart 1894. Verkoopster. De jongste van de drie verwanten op de Uithoornstraat 57-K. Bij hen in woonde in 1941 ook Salomon Meijer Swaab, tweelingbroer van Rebecca Swaab, die met haar ouders in de Uithoornstraat op nr. 87-I woonde. Rozette Levie werd op 3 december 1942 in Auschwitz vergast, evenals Betje en Sara. Zij was 47 jaar. Salomon Meijer Swaab, zijn zusje en hun ouders waren in hetzelfde kamp al eerder vermoord. Rozette Levie wordt genoemd op de plaquette van het oorlogsmonument in Paramaribo. S Henriette Levie, 18 januari 1899. Haar naam komt niet voor op de sites van OGS, JM en In Memoriam. Samson (de Bye) en de verschillende sites kennen ook een Blanche Levie (1896); zij trouwde met Jacobi Taytelbaum (zie onder).

 

Willy Albert Levy (foto: Joods Monument)

Willy Albert Levy 1 december 1899. Chirurg (zie H. Coppenhagen). Zijn laatst bekende adres was de Frans van Mierisstraat 82hs, Amsterdam. Dokter Levy deed als reserve-officier van de geneeskundige troepen dienst in de meidagen van 1940, onderdeel Genie. Hij stierf op 15 mei 1940 in Amsterdam, en werd begraven op de Nederlands-IsraŽlitische Begraafplaats te Muiderberg (rij 25, nr. 35). Zijn echtgenote, Helena Martha Frijda (Assen, 26 maart 1905) stierf op dezelfde dag, en werd op dezelfde begraafplaats naast haar man begraven (nr. 36). Het lijkt aannemelijk dat beiden zelf voor de dood kozen. Betje Lopes de LeaŰ Laguna-da Silva, 7 augustus 1882 - de site van OGS heeft bij 'Leao' geen teken op de o. Weduwe van B.J. Lopes de LeaŰ Laguna en zuster van Isaac David en Arnold da Silva (zie onder). Haar laatst bekende adres was de G. Terborgstraat 17hs in Amsterdam. Haar dochter >Hettie, op 18 december 1907 in Watergraafsmeer geboren, woonde bij haar. Hettie was schoonheidsspecialiste. Zij werd op 17 september 1943 in Auschwitz vermoord, op 35-jarige leeftijd. Haar moeder Betje werd op 7 juli 1944 in Auschwitz om het leven gebracht, op dezelfde dag als haar broer Isaac David da Silva en haar schoonzuster Anna da Silva-Palache (zie onder). Op dezelfde dag overleed ook Rebecca Lopes de LeaŰ Laguna (Amsterdam, 3 oktober 1883), pianolerares, en wellicht familie. Betje was 61 jaar.

 

Elisabeth Estelle Lyons [Lijons], 15 februari 1871, dochter van Juda Lyons (1836) en Johanna Leefmans (1862). Haar laatst bekende adres was Ruysdaelstraat 102-II in Amsterdam. Haar tante en een van haar nichten - Helene Elise Leefmans-Bal(l)in en haar dochter Estelle (1888) - woonden in de naastgelegen Frans van Mierisstraat 77hs. Helene Leefmans was de schoonzuster van Elisabeths' moeder. Elisabeth Lyons werd op 14 mei 1943 met 1364 andere uit Nederland afkomstige joden vergast in Sobibor. Zij was 72 jaar. Haar stiefzuster Marie Evelyne (13 december 1895) overleefde en werd bijna 100 jaar. Zij overleed op 2 december 1994 in Amsterdam. (met dank aan mevrouw Anne E. Otto, achterkleindochter van Helene Elise Leefmans, sept.2006).

Kinderen Morpurgo-Alberga Willy Albert Morpurgo, 16 december 1899, zoon van Jacques Morpurgo en Annie Alberga. Wellicht verwant met Julia Bueno Bibaz-Morpurgo (zie boven). Willy was kelner. Zijn laatst bekende adres was Willemstraat 22 in Utrecht. Willy kwam op 1 februari 1943 in Auschwitz om het leven, op 43-jarige leeftijd. Rond dezelfde tijd stierf hier ook zijn zwager Michel Fregge (zie onder).[] S Ivy Gerharda Fregge-Morpurgo, Amsterdam, 19 november 1906. Volgens De Bye was zij een zuster van Willy Albert. Zij trouwde met de verpleger Michel Fregge (Amsterdam, 24 oktober 1903). Het echtpaar kreeg zes kinderen: Leo (30 november 1929), Annie (20 november 1930), Jack (22 mei 1932), Mia (9 november 1932?), Albert (7 augustus 1935) en Netty (22 januari 1937). Vermoedelijk is 1932 bij Mia een verschrijving voor 1933 of 1934. Hun laatst bekende adres is de President Brandtstraat 50-II in Amsterdam. Zij woonden daar samen met een ander groot gezin, Harpman-Levie, met vijf kinderen. Ivy Gerharda en haar zes kinderen werden allen op 24 september 1942, twee maanden na het begin van de deportaties, in Auschwitz vergast. Ivy Fregge-Morpurgo was 35 jaar, de kinderen 12, 11, 9, 8 of 7, 6 en 4 jaar. Michel Fregge stierf in hetzelfde kamp op 31 januari 1943, rond dezelfde datum als zijn zwager Willy Morpurgo. Hij was 39 jaar.

Einde J.F. Nassystraat 2007

JM Jacques George Nassy, 27 april 1891. De site van Joods Monument schrijft: 'Jacques George Nassy studeerde geneeskunde te Amsterdam, waar hij op 21 februari 1917 zijn artsexamen aflegde. Hij promoveerde op 10 juni 1918 in Amsterdam op een proefschrift over "Verduurzaming van 'virus fixe' in verband met de bestrijding der hondsdolheid in de tropen". Jacques George Nassy was officier van gezondheid 1e klas in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. Hij had een praktijk als huisarts in Amstelveen (Nieuwer-Amstel).' Jacques George stierf op 11 juni 1942 in Amstelveen, 51 jaar oud. Gezin Nassy-Polak Judith Louise Nassy-Polak, 4 augustus 1892. Zij was de weduwe van 'Joost' Nassy, zoon van Samuel Henry Nassy en Judith Robles. Mogelijk was zij een schoonzuster van de arts Jacques George (zie boven) en zuster van de arts Maurice Samuel Polak (zie onder). Haar ouders waren Samuel Maurits Polak en Esther Elizabeth Gomperts. Van het echtpaar Nassy-Polak zijn drie kinderen bekend: Henry Jules (Paree, 7 april 1925) - Paree ligt op Oost-Java Lygya Esther (idem, 20 mei 1926) en Rachel Rebecca (idem, 1 maart 1931). Henry zat in augustus 1941 op de 2e Ambachtschool te Amsterdam. Het laatst bekende adres van het gezin is de Deurloostraat 104hs in Amsterdam. Daar woonde in 1941 ook het echtpaar Bueno de Mesquita-Bueno de Mesquita (zie boven). Judith Louise en haar dochters Lygya Esther en Rachel Rebecca werden op 28 mei 1943 in Sobibor vergast, 50 jaar, 17 jaar en 12 jaar oud. Henri Jules stierf acht weken later in hetzelfde vernietigingskamp, op 23 juli 1943. Hij was 18 jaar. Leo Jacob Nassy, 11 juli 1924, zoon van Jacob Nassy en Seline Gomperts. Zijn adres in Nederland is niet bekend. Hij werd op 2 juli 1943 in Sobibor vergast. Leo Jacob was 18 jaar. Gezin de la Parra-SwijtDrie van de 11 naamdragers de la Parra op de OGS-slachtofferlijst zijn in Nederlands-IndiŽ, 2 kinderen en 1 jongere in Nederland geboren. Ook andere familienamen van slachtoffers komen in zowel Suriname, Nederland, als in Nederlands-IndiŽ voor. Marinus Alfred de la Parra, 12 november 1878, huidarts. Marinus de la Parra studeerde geneeskunde in Utrecht, waar hij op 27 november 1908 zijn artsexamen aflegde. Hij specialiseerde zich in huid- en geslachtsziekten. Hij trouwde in Paramaribo met Jansje Swijt; Henri Jacques ('Hans'), Herman Marinus en Max zijn kinderen van dit echtpaar (zie onder). Na de Eerste Wereldoorlog vertrok het gezin naar Amsterdam. Marinus Alfred de la Parra woonde en hield praktijk in de Sarphatistraat 97 in Amsterdam en daarnaast had hij ook een praktijk aan de Lutmastraat 7 en in de Marnixstraat 321 en, alleen voor joodse patiŽnten, in 1942 aan de Noorder Amstellaan 123 (zie J.H. Coppenhagen, Anafiem Gedoe'iem. Overleden joodse artsen uit Nederland 1940-1945 (Rotterdam 2000) 125). Het laatst bekende adres van het paar De la Parra-Swijt was De Lairessestraat 115 in Amsterdam. Marinus Alfred de la Parra kwam op 30 oktober 1944 in Auschwitz om het leven, evenals zijn vrouw. Hij was 65 jaar. Jansje ('Jeannette') de la Parra-Swijt, 21 juni 1884, echtgenote van Marinus Alfred, moeder van Henri Jacques, Herman Marinus en Max. Zij was mogelijk familie van Rebecca Fernandes-Swijt (1870), Cornelia Tellina Vas Nunes-Fernandes (1896) en Celine Telline Swijt (1905). Jansje de la Parra-Swijt kwam op dezelfde plaats en dag om het leven als haar man. Zij was 60 jaar. Henry ('Hans') Jacques de la Parra, 22 april 1907, zoon van Marinus Alfred en Jansje de la Parra. Tandarts. Hij trouwde en kreeg twee kinderen: Myrna Jeannette (Amsterdam, 5 januari 1936) en Glanda Marianne (idem, 19 februari 1938). Het laatst bekende adres van het gezin was Beethovenstraat 118hs, Amsterdam. De dochters, 8 en 6 jaar, werden op 1 oktober 1944 in Auschwitz om het leven gebracht, vier weken voor hun grootouders. Hun moeder overleefde. Henri Jacques de la Parra stierf vijf maanden later in Bergen-Belsen, op 20 februari 1945. Hij was 37 jaar.

 

 Herman Marinus de la Parra, met Els of Mieke (foto: Joods Monument) Herman Marinus de la Parra, 24 september 1909, broer van Hans en Max. Arts. Het Joods Monument heeft een foto van hem, uit het boek J.H. Coppenhagen, 'Anafiem Gedoe'iem. Overleden joodse artsen uit Nederland 1940-1945 (Rotterdam 2000). Het Gedenkboek Mauthausen (1995) wijdt een pragraaf aan hem. Herman ging na het einde van de lagere school naar de Derde 5-jarige HBS aan de Amsterdamse Mauritskade. Hij blonk er uit. Liever dan huiswerk maken speelde hij saxofoon, voor hem symbool van het moderne leven. Hij speelde ook prachtig piano. Van kinds af aan was Herman ongewoon hulpvaardig. Zijn keuze voor de medicijnstudie sloot daar op aan. Hij ging in Leiden studeren waar hij in 1933 het artsexamen deed. Daarna vestigde hij zich als gemeentearts in Drenthe, in Emmen. Op 9 mei 1935 trouwde Herman met WIlly Benjamins. In 1936 werd Els geboren, in 1937 Mieke. Zij herinnert zich dat haar vader liedjes met hen zong. Rond 1938 vestigde ook de joods-Surinaamse arts-apotheker Max Samson zich in Emmen. Hij deed ook dienst als gemeentearts. De la Parra diende tijdens de mobilisatie als officier van gezondheid in het Nederlandse leger; zijn praktijk werd toen waargenomen. Er ontstond een relatie tussen de waarnemer en Willy de la Parra. Dit leidde tot scheiding tussen Herman en zijn vrouw. Zij verhuisde met de meisjes naar haar moeder in Amsterdam. De Duitse bezetter begon vroeg met anti-joodse maatregelen. Op 22 november 1940 ontsloeg Emmen beide joodse dokters als gemeentearts, belast met de verzorging van de armen. Op 1 mei 1941 mochten ze alleen nog voor joden werken, die er nauwelijks waren in dit gebied. Op slag waren ze brodeloos. Samson vestigde zich in Assen, De la Parra verhuisde naar Bussum, Graaf Janlaan. Hij begon er een praktijk 'uitsluitend voor Joodsche patienten' (Joodsch Weekblad). Kort daarna hertrouwde hij met de weduwe Greet Czopp-Jerosolimsky (Rotterdam, 15 december 1910). Zij was fabrikante en had een dochter in de leeftijd van Els en Mieke. Het laatste adres van het gezin was in Naarden, Rembrandtlaan 49. In de zomer van 1942 werden Herman en Greet gearresteerd na verraad van een buurman. Zij woonden toen vermoedelijk niet meer op hun eigen adres, maar wilden er spullen halen om in bewaring te geven. En Herman bleek in het bezit te zijn van een illegale radio. Hermans inwonende broer Max, tandarts, en Greet's dochter ontsnapten aan arrestatie en doken onder. Greet de la Parra-Jerosolimsky werd naar Westerbork gevoerd, Herman werd gestraft met kamp Amersfoort. Hoewel hij er hooguit drie maanden bleef viel hij op door zijn hulpvaardigheid. Dr. L. de Jong schrijft erover in deel 8-2 van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (p. 572 en 284). Frans Goedhart, oprichter van het Parool, kreeg in het kamp dysenterie. De opzichter van de ziekenafdeling was een communistische gevangene die niets over had voor Goedhart. De kamparts, een NSB-er, liet hem echter naar de ziekenzaal brengen. Daar was De la Parra aan het werk. Herman gapte opium uit de voorraad van de SS en redde Goedhart daarmee het leven. Een andere gevangene, G. Tuynenburg Muys, was zeer teleurgesteld over het gedrag van hoogopgeleide gedetineerden als notarissen, doctoren, dominees, kapelaans en ambtenaren. Hij maakte een uitzondering voor twee jonge dominees en een 'edele joodse arts'. Dit was vermoedelijk Herman de la Parra. Greet de la Parra stierf op 30 september 1942 in Auschwitz, 2Ĺ maand na het begin van de deportaties. Zij was 31 jaar. Herman kwam een week later om het leven, op 6 oktober 1942, in het beruchte Oostenrijkse strafkamp Mauthausen. Hij was 33 jaar. Els en Mieke woonden samen met hun moeder bij grootmoeder Benjamins op de Stadionweg in Amsterdam. Op een gegeven moment werd Willy Benjamins opgepakt en naar Westerbork gebracht, waarna de familie het raadzamer vond de kinderen te laten onderduiken. Het was puur geluk dat zij niet ook werden opgepakt: het kamertje waarin zij zaten werd overgeslagen. Els en Mieke zaten allebei in Brunssum, bij verschillende families. Willy Benjamins, die niet meer met een Ďvoljoodí getrouwd was, wist in Westerbork kampcommandant Gemmeke er van te overtuigen dat ze zelf niet Joods was. Een niet-joodse neef had een groot aantal leden van haar familie een zgn. Calmeyer-sper bezorgd, berustend op bewijzen van niet of slechts gedeeltelijk Joods-zijn. Dit maakte haar claim geloofwaardig. Na driekwart jaar Westerbork kwam zij terug naar Amsterdam. Els en Mieke doken weer op en brachten de hongerwinter met hun moeder bovengronds in Amsterdam door. Ook de dochter van Greet overleefde. Zij ging na de oorlog naar een tante in IsraŽl.Bronnen: Ad van den Oort, Allochtonen van nu & de oorlog van toen, p. 59-60 H.E.D. Dominicus en Alice B. van Keulen-Woudstra, Mauthausen Gedenkboek (1999), tweede druk p. 118 ĎNiet van gisterení, brievenboek Joods Maatschappelijk Werk 2008, p. 49-50 Gesprek met Mieke van Praag-de la Parra (juni 2008) Echtpaar de la Parra-SamsonHenry de la Parra, 10 augustus 1881, broer van Marinus Alfred de la Parra (zie boven). Echtgenoot van Judith Samson (zie onder). Hij is vůůr de oorlog gestorven. Judith de la Parra-Samson, 21 juli 1884, echtgenote van Henry de la Parra. Haar laatst bekende adres was Goudsbloemlaan 29 in Den Haag. Zij was vermoedelijk verwant met Sophie Louise Jacobsen-Samson (7 juli 1885). Judith stierf in Auschwitz, op 1 oktober 1944, op dezelfde datum als de twee dochtertjes van haar neef, Henry Jacques. Zij was 60 jaar. Een huisgenoot overleefde de oorlog. + Victorina ('Victorine') Albertina Polak-Pinto, geboren 31 oktober 1866, gehuwd met Jozef Arron Polak. Uit het huwelijk kwamen drie kinderen voort: Herman Julius (1884, zie onder), Betsy Nelly (1886) en Jacques William (1890). Na de dood van haar man verhuisde Victorine naar Nederland, waar haar oudste zoon met zijn gezin woonde. In februari 1941 was haar adres Van Baerlestraat 150-boven, Amsterdam. Zij had veel contact met haar aangetrouwde nicht Anna Semmeline Polak (zie onder). Victorine Polak-Pinto overleed in de gaskamers van Sobibor, op 7 maart 1943. Zij was 76 jaar. Volgens het Joods Monument was er een huisgenoot die overleefde. Haar neef Jules Samuels, zoon van Rosette Samuels-Pinto, kon in 1941 een niet-joodse afstamming 'bewijzen'. De ouders van Rosette en Victorine, Jacob William en Abigael Izak Pinto, waren in 1871 op bezoek in Georgetown, provincie Demarara in Brits Guyana. Hun vier jonge kinderen waren achtergebleven in Paramaribo. De ouders stierven in Georgetown echter aan de tyfus. Ze werden begraven op een presbyteriaans kerkhof. Rosette's zoon Jules kreeg in 1941, geheel te goeder trouw, van de Hollandse consul in Brits Guyana de beŽdigde verklaring dat het echtpaar Pinto zonder enige twijfel presbyteriaan moest zijn en niet joods, ook al omdat er in die tijd geen joodse gemeenschap in Georgetown was. Op basis van die verklaring kreeg Jules Samuels met zijn gezin een stempel van de bekende Duitse advocaat en ambtenaar dr. H.G. Calmeyer, inhoudend dat er geen joodse ouders en hooguit twee joodse grootouders waren, zodat deportatie tot nader onderzoek werd uitgesteld. Zij overleefden. Onduidelijk is waarom Victorine, haar zoon Herman en zijn gezin niet van hetzelfde document gebruik hebben gemaakt. Met dank aan mevrouw S. Vetter-Samuels.

Herman Polak, Elly Orlow-Polak, Annemarie Samuels en Carolina Polak-Wessel (1939)(foto: mevrouw S. Vetter-Samuels) Herman Julius Polak, 13 juli 1884, koopman. Hij was het oudste kind van Jozef Arron Polak en Victorina Polak-Pinto (zie boven) en de enige die naar Nederland ging. Hij trouwde met Carolina Margaretha Polak-Wessel (Amsterdam 2 augustus 1891). Het echtpaar had twee kinderen: Elize Betsy ('Elly') en >Frits. Zij woonden in februari 1941 samen op de Minervalaan 70-III in Amsterdam. Frits overleefde dankzij onderduik. Carolina Margaretha overleed in Auschwitz op 6 september 1944, op 52-jarige leeftijd. Herman Julius stierf in het concentratiekamp Gross Rosen op 7 februari 1945, op de leeftijd van 60 jaar. Elly Orlow-Polak (Amsterdam, 8 april 1913) overleed op 21 maart 1945 in Auschwitz, toen het kamp al acht weken bevrijd was. Zij was 31 jaar. Onduidelijk is waarom Herman met zijn gezin geen gebruik heeft gemaakt van de bewijzen van niet-joodse afstamming die zijn familie had (zie boven). Met dank aan mevrouw S. Vetter-Samuels.

Waterkant 12 in 2007 Zusters Polak (-Levie) Anna Semmeline Polak, 9 november 1875 (S schrijft 1874), dochter van Jacques Arons Polak en Grace Levie. Zij kochten in 1881 het statige huis Waterkant nr. 12. Vermoedelijk is Anna er met haar zuster Rachel en hun broer Arnold Jacob opgegroeid. Jacques Arons Polak overleed in 1908. De drie kinderen waren erfgenaam en verkochten het pand in 1920. Anna woonde in februari 1941 met haar zuster Richel in de G. Terborghstraat 42-I te Amsterdam. Zij had veel contact met haar aangetrouwde tante Victorine Polak-Pinto (zie boven). Anna Semmeline overleed op 5 oktober 1942 in Auschwitz op 66-jarige leeftijd. Rachel ('Richel') Martha Polak, 30 juli 1878 (S schrijft 18 november). Zij woonde samen met haar oudere zus Anna aan de Waterkant in Paramaribo en in de G. Terborghstraat in Amsterdam. Zij werd op dezelfde dag en plaats als Anna vermoord, op 5 oktober 1942 in Auschwitz. Rachel Martha was 64 jaar. Haar naam staat sinds 4 mei 2006 op het oorlogsmonument in Paramaribo (zie Suriname in WOII). Broers en zusters Polak (-Gomperts) >Gezin Polak-Arrias Maurice Samuel (Semuel) Polak, 27 maart 1887, gepensioneerd districtsarts. Vermoedelijk een zoon van Samuel Maurits Polak en Elizabeth Gomperts (zie boven: Judith Louise Nassy-Polak, 1892). Broer van Judith, Richel, Jacques en Louise Polak (zie onder). Weduwnaar van Estelle Arrias. Met haar kreeg hij op verschillende plaatsen in Suriname en de Antillen vier kinderen: Semuel, Thelma, Henri en Rebecca (zie onder). Het waren vermoedelijk de plaatsen waar hij als arts gestationeerd was. Op verlof in Nederland hertrouwde Maurice Polak met Henriette Elte (Alkmaar 23 juni 1902), een jongere zuster van de vrouw van zijn broer Jacques. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren: >Esther HenriŽtte (Amsterdam, 21 mei 1940) en Elie Meijer (idem, 4 april 1942). Het laatste adres van het gezin was Karel du Jardinstraat 12-I in Amsterdam, naast het huis waar Maurice's broer Jacques woonde. Op de oudste twee kinderen na, die eerder werden omgebracht, werd het hele gezin op 3 september 1943 in Auschwitz door vergassing gedood. Maurice Samuel was 56, Henriette 41, Henri 15, Rebecca 12, Esther HenriŽtte 3 en Elie Meijer 1 jaar oud. Ook de meeste familieleden uit de Karel du Jardinstraat werden daar op deze dag om het leven gebracht.

Semuel Polak (Bron: Herbert Markus) Semuel/Samuel (volgens S) Jacques Polak ('Sem'), Marowijne, 8 december 1919, oudste zoon van Maurice Polak en Estelle Arias. De ouders woonden in het begin van hun huwelijk blijkbaar buiten Paramaribo. Semuel verhuisde mee naar Nederland, waar hij bij zijn vader en tweede moeder woonde. Net als zijn zus Thelma ging hij naar de Joodsche HBS. Beiden staan op de schoolfoto van 1937 (zie foto). Sem steekt in het pak en draagt een opvallende horlogeketting. Hij werd in Sobibor vermoord op 28 mei 1943. Zijn zus Thelma was daar begin maart omgekomen. Semuel was 23 jaar.

 

Thelma Polak (Bron: Herbert Markus)

Thelma Esther Polak, Saba (Nederlandse Antillen), 19 december 1920, oudste dochter van Maurice Polak en Estelle Arrias. Zie ook Antillen. Het gezin verhuisde in de jaren dertig naar Nederland. Thelma was getuige de schoolfoto van 1937 leerling van de Joodsche HBS aan de Heerengracht te Amsterdam (zie foto). Haar laatste bekende adres was het Centraal IsraŽlitisch Krankzinnigengesticht 'Het Apeldoornse Bos', Zutphensestraat 106, Apeldoorn. Vermoedelijk was zij, dochter van een arts, verpleegkundige in dit gesticht. Uit de site van het Joods Monument: 'In de nacht van 21 op 22 januari 1943 werd het Apeldoornse Bos 'leeggehaald' (zie verder Antillen, paragraaf Antilliaanse joden). Huwelijk in WesterborkWanneer Thelma Esther Polak precies in Westerbork is aangekomen weten we niet. Wel staat vast dat zij op 2 februari 1943 in het kamp is getrouwd. Haar bruidegom was Izak Cohen uit de Watergraafsmeer (1919). Izak was verpleger en opgeleid in de kibboets Beverwijk en misschien ook in die van Laag-Keppel. Zijn tweelingbroer Joseph was de ene getuige bij het huwelijk, zijn neef Berend Gustaaf (1907) de andere. Joseph was tuinknecht in het Apeldoornsche Bos geweest. Berend Gustaaf woonde met zijn gezin in Apeldoorn. Beiden zullen Thelma gekend hebben. Van haar waren toen geen familieleden in het kamp. Sobibor Thelma en Izak werden na ruim een maand huwelijk naar Sobibor gedeporteerd en er op 5 maart 1943 vergast. Thelma's broer Sem werd er acht weken later vermoord.

 

Henri Polak (Bron: Herbert Markus) + >Henri Polak, 30 juni 1928, zoon van Maurice Polak en Estelle Arrias. Henri zat na de verhuizing naar Nederland, Amsterdam, aanvankelijk op het openbare GKO (Gewoon Lager Onderwijs). Daarna bezocht hij de Joodsche HBS, inmiddels verplaatst naar de Stadstimmertuinen. Hij staat op de schoolfoto van 1941 (zie afbeelding). Hij stierf met zijn vader, tweede moeder, jongere zus, halfzusje en halfbroertje op 3 september 1943 in Auschwitz. Henri was 15 jaar. Rebecca Polak, 17 oktober 1930, dochter van Maurice Polak en Estelle Arrias. Rebecca zat vermoedelijk op het Buitengewoon Lager Onderwijs (BLO). Zij stierf met haar vader, tweede moeder, oudere broer, halfzusje en halfbroertje op 3 september 1943 in Auschwitz. Rebecca was 12 jaar.

Joodsche HBS 1937 (deel foto). Nummer 34 is Semuel Polak, nummer 37 is Thelma Polak. (De nummers zijn digitaal aangebracht.) (Bron: Herbert Markus) Met dank voor informatie over de kinderen en de foto's aan Herbert Markus, september 2010. Gezin Polak-Elte Jacques Isidore Polak, 10 juli 1898, onderwijzer, broer van Maurice, (Judith), Richel en Louise Polak. Hij was getrouwd met Fijtje Elte (Alkmaar, 17 maart 1894). Het echtpaar kreeg in Amsterdam zeker drie kinderen: een tweeling, Rebekka en Esther (8 november 1928) en Salomon (29 januari 1931). In 1941 woonde het gezin in de Karel du Jardinstraat 10-I. Het beroep van Jacques Polak was toen leraar Middelbaar Onderwijs. Ook Jacques' zuster Richel Mathilde, schooljuffrouw, woonde in die tijd bij hen. Hun broer Maurice woonde in een buurhuis. Fijtje Polak-Elte werd met haar drie kinderen op 3 september 1943 in Auschwitz vergast. Zij was 49 jaar, Rebekka en Esther 14 jaar en Salomon 12 jaar oud. Ook haar zuster Henriette Polak-Elte stierf daar en toen met haar man, dochter en twee kinderen. Richel Mathilde werd eerder, op 23 juli, in Sobibor vergast. Het was op dezelfde dg als haar nee Henri Jules Nassy. Jacques Isidore overleed op een onbekende plaats, vermoedelijk in een werkkamp in Midden-Europa, op 31 maart 1944. Hij was 45 jaar. Zusters Polak Richel Mathilda Polak, 19 april 1895, onderwijzeres, zuster van Maurice (Judith), Jacques en Louise Polak. In februari 1941 woonde zij bij haar broer Jacques Isidore en zijn gezin in de Karel du Jardinstraat 10-I in Amsterdam. Zij stierf in Sobibor, op 23 juli 1943. Richel Mathilda was 48 jaar. Louise ('Loetje') Estelle Polak, 11 november 1899 (S schrijft 18 november). Zuster van Maurice, (Judith), Richel en Jacques Polak. Hulp in de huishouding. Zij woonde en werkte in februari 1941 in het Portugees-IsraŽlitisch Oude Mannenhuis, Nieuwe Herengracht 33 in Amsterdam. Er waren daar toen zestien bewoners, onder hen een tweeling van nog geen jaar oud. Louise stierf in Auschwitz, op 19 februari 1943, evenals drie oudere bewoners van het huis. Zij was 43 jaar. + Egbert Gustaaf Polak, 24 december 1872, ingenieur. Zijn laatst bekende adres was Merwedeplein 42hs in Amsterdam. Egbert Gustaaf Polak overleed op 20 juni 1943 in het doorgangskamp Westerbork, voor hij gedeporteerd kon worden naar een concentratiekamp. Hij is begraven op de joodse begraafplaats in Diemen. Egbert was 70 jaar. Broers Pos + Hartog Joseph Pos, 16 augustus 1884. Tandarts. Vermoedelijk broer van Samuel en Simon Pos. Zijn laatst bekende adres was Graaf Wichmanlaan 37 in Bussum. Hij werd op 4 juni 1943 in Sobibor vergast, op 58-jarige leeftijd. Van dit huishouden zijn claims vanwege de roof van waardevolle voorwerpen bekend (JOKOS-dossier). Hartog J. Pos staat sinds 4 mei 2006 als een van de 10 Holocaust-slachtoffers op het oorlogsmonument te Paramaribo. Samuel ('Sam') Joseph Pos, 3 januari 1888. Tandarts. Vermoedelijk een broer van Hartog en Simon Pos. Samuel overleed op 11 december 1942 in Auschwitz. Hij was 54 jaar oud. S Simon Hendrik Pos, 11 oktober 1889. Tandarts. Zoon van Joseph Handdik Pos en Jansje van West en broer van Sam Pos. Zijn naam komt niet voor op de sites van OGS, JM en In Memoriam.

Portugese Synagoge, voormalig balkon voor de vrouwen, 2007 + Rebecca Rachel Querido, 16 april 1894. Zij was de dochter van godsdienstleraar ('gazan') David de Isaac Querido (15 oktober 1868). Deze kwam op 8 november 1892 met de ss Prins Frederik Hendrik in Paramaribo aan. 18 dagen later was de entree-predicatie in de Portugees-IsraŽlitische Synagoge aan de Gravenstraat. David Querido volgde bij de PIG Menasse Abarbanel op. In april 1893 kreeg Querido enkele maanden verlof. Hij kwam gehuwd terug. Zijn vrouw heette Sara Palache. In april werd hun dochter Rebecca geboren. Sara's gezondheidstoestand was echter van dien aard dat de gazan in juli van dat jaar opnieuw verlof kreeg. Het gezin ging naar Nederland en keerde niet meer terug. Querido kreeg eervol ontslag. Sara Palache overleed vŲŲr 1905. In dat jaar werd David Querido gazan bij de Joodse Gemeente 'Mikve Israel' te CuraÁo. Hij hertrouwde er met Estela de Mordechay Fidanque Curiel. In 1918 overleed David Querido. Men gaf hem de eretitel 'vooraanstaand rabbi' ('haham hane'ela'). Zijn vrouw Estela stierf in 1927. Rebecca werd vertaalster en woonde in Den Haag. Haar laatst bekende adres was Frederik Hendrikplein 18. Zij overleed in Auschwitz op 11 oktober 1944. Rebecca Querido was 50 jaar. + Hanna Maria Reiss-Root, 9 maart 1888, weduwe. Het laatst bekende adres was Tugelaweg 97hs, Amsterdam. Er waren vijf kinderen, van wie een getrouwd: Simon (Amsterdam, 16 september 1913), wever; Esther Glasbeek-Reiss (idem, 5 december 1916), naaister; Abraham Mozes (idem, 1 oktober 1921), stoffeerder; Kitty (idem, 7 oktober 1924), naaister; en Josephine (idem, 9 april 1927). Op 22 juli 1942 werd een inboedellijst opgesteld, die enkel dames- en kinderkleding vermeldt. Esther Glasbeek-Reiss en haar zus Kitty werden op 30 september 1942 in Auschwitz vergast, op dezelfde dag en plaats als 9 leden van de familie Glasbeek. Esther was 25 jaar, Kitty 17 jaar. De moeder en het jongste kind, Josephine, werden op 19 november 1942 in Auschwitz vermoord. Hanna Marie was 54, Josephine 15. Simon kwam op 31 juli 1943 om het leven in het Silezische kamp Malapane, op 29-jarige leeftijd. Zijn broer Abraham Mozes stierf op 28 februari 1944 in Auschwitz. Hij was 22 jaar.

 

 Kansel Hoogduitse Synagoge, 2007 Gezin Roos-Prins Samuel Roos, 19 september 1895 (S heeft 18 september), zoon van rabbijn Roos. Handelsreiziger. Zijn vader, Jacob Samuel Roos (1868), kwam in 1893 naar Suriname. De entree-predicatie in de Hoogduitse Synagoge aan de Keizerstraat was op 29 juni. Gouverneur T.A.J. van Asch van Wijk woonde de dienst bij. De gemeenschap had met smart op een nieuwe rabbijn gewacht. Na het jonge overlijden van de briljante opperrabijn Lewenstein in 1864 - hij diende zowel de Duitse als de Portugese gemeente en liet in de Hoogduitse sjoel een protestants aandoende kansel installeren om verstaanbaar te kunnen zijn - werden de diensten geleid door koopman Samuel IsraŽl Levie ('oom Sjolom') en zijn broer en collega Juda IsraŽl Levie ('oom Juda'). De eerste was sinds 1848 assistent-voorbidder, Juda sinds begin 1864. Een andere reden voor versterking van de gemeente waren de anti-semitische relletjes die zich in mei 1891 voordeden. Opperrabbijn van Noord-Holland I.H. DŁnner had zijn student Roos aanbevolen. Hij had de titel 'magid', predikant, en was tevens besnijder ('mohel') en ritueel slachter ('sjochet'). In februari 1893 werd Jacob Roos door de kerkenraad als rabbijn van de NIG benoemd. Op 30 mei trad hij in het huwelijk met Selly Benjamins en kort daarop ging het echtpaar scheeps. Het paar betrok de ambtswoning op de hoek van de Keizerstraat en de Zwartehovenbrugstraat. Het gouvernement kende de rabbijn een jaarlijkse bezoldiging van 1750 gulden toe. Op 17 juli 1894 werd dochter Debora ('Della') geboren, ruim een jaar later Samuel. Jacob Roos en zijn gezin bleven 17 jaar in Suriname. Roos stond bekend als een groot redenaar. Op 25 mei 1912 was de afscheidsdienst. Rabbijn Roos werd vanwege zijn verdiensten onderscheiden met het ridderschap in de orde van Oranje Nassau. Tot mei 1940 ontving hij een pensioen van 538 gulden per jaar. Na terugkeer naar Nederland bleef de rabbijn actief in het Amsterdamse en Nederlandse jodendom, onder andere als predikant van Talmud Thora aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam.< Dochter Debora (zie onder) huwde de arts DaniŽl J. Samuels. Zoon Samuel trouwde met Keetje Prins (Amsterdam, 28 jauari 1903). Het echtpaar kreeg vier kinderen: Selly (Amsterdam, 1 december 1927), Esther (idem, 31 december 1929), t. Samuel was 47 jaar, Keetje 39 jaar, Selly 14 jaar, Esther 12 jaar, Della 11 jaar en Jacob 7 jaar oud. S Esther Samson, 23 januari 1886, dochter van Jacob H. Samson en R.M. Bueno de Mesquita. Geen van de Holocaust-sites heeft haar naam.

Flora Marianna ('Marianne') Samson, 8 juni 1875. Haar laatst bekende adres was Westerhoutpark 18, Haarlem. Mogelijk was zij verwant met Judith de la Parra-Samson (1884) en Sophie Louise Jacobsen-Samson (1885). Flora Marianna werd op 9 juli 1943 in Sobibor vergast. Ze was 68 jaar. De naam van Flora M. Samson staat op de plaquette die op 4 mei 2006 in Suriname werd onthuld. Gezin Samson-Ezechiels

 Marcus ('Max') Abraham Samson, 11 oktober 1904, zoon van apotheker A.Ph. Samson. Arts. Hij trouwde met Daisy HenriŽtte Ezechiels. Het echtpaar kreeg twee kinderen: 'Philli' en 'Annie'. De site van het Joods Monument schrijft: 'Marcus Abraham Samson kwam eind jaren dertig uit Paramaribo naar Nederland, waarschijnlijk in het bezit van een artsendiploma. Hij vestigde zich als apotheekhoudend arts in Emmer-Erfscheidenveen (Emmer Compascuum). Hij behaalde in 1941 het Nederlands artsdiploma. Sinds juni 1941 was hij gevestigd in de Vondelstraat 11-a in Assen'. In april 1942 woonde daar ook het echtpaar Stern-Magnus met een kind. Ad van den Oord ('Allochtonen van nu en de oorlog van toen - zie bij Suriname onder de paragraaf Surinaamse intellectuelen) geeft nog andere achtergronden: 'Max Samson had zich net als Herman de la Parra (zie boven) als huisarts in Drenthe gevestigd. Herman diende tijdens de mobilisatie als officier van gezondheid in het Nederlandse leger; Max nam zijn praktijk waar. De Duitse bezetter begon vroeg met zijn anti-joodse maatregelen. Op 22 november 1940 ontsloeg Emmen beide dokters als gemeentearts, belast met de verzorging van de armen. Op 1 mei 1941 mochten ze alleen nog voor joden werken, die er nauwelijks waren in dit gebied. Op slag waren ze brodeloos. De la Parra verhuisde naar Naarden, Samson probeerde nog via een wethouder steun van de gemeente Emmen te krijgen, tevergeefs. Hij verhuisde op 10 juni met zijn gezin naar Assen, waar een kleine joodse gemeenschap was'. Het gezin Samson werd naar Westerbork gedeporteerd en van daar naar Auschwitz. Max Samson werd tewerkgesteld en bleef tot 28 februari 1943 in leven. Hij werd 38 jaar; Daisy HenriŽtte Samson-Ezechiels, 17 mei 1901, dochter van Benjamin Ezechiels en Anna Robles. Echtgenote van Marcus Samson. Op 8 mei 1938 werd in Emmen Philip ('Philli') Marcus geboren. Op 12 september 1939 volgde Hanna ('Annie') HarriŽt. Het gezin moest Emmen noodgedwongen verlaten. Vanuit Assen, Vondellaan 11a, werd het naar Westerbork gestuurd en begin december 1942 naar Auschwitz. Max Samson werd voor werk geselecteerd. Daisy HenriŽtte en de twee kinderen werden naar de gaskamer gestuurd. Zij stierven op 11 december 1942. Daisy was 40 jaar, Philip 4 jaar en Hanna 3 jaar oud. <> + OGS Aron Esriel Samuels, 30 november 1870. Netje Levie-Samuels (1862), Rosetje Bramson-Samuels (1868), Selly Alexander Gomperts-Samuels (1869), Bernhard Eduard Samuels (1872) en Marianne Machiel van West-Samuels (1888) zijn mogelijk verwanten van hem. Aron Esriel overleed op 17 januari 1944 in Batavia, 73 jaar oud. Hij werd begraven op het Nederlands ereveld Leuwigajah in Nederlands-IndiŽ. + Bernhard Eduard Samuels, 10 november 1872. Hij heette officiŽ Bernard EsriŽl Samuels en is vermoedelijk een jongere broer van Aron Samuels (zie boven). Bernard was musicus, hij speelde fluit. Vanwege zijn geregelde optredens in het buitenland besloot hij de EsriŽl in zijn naam te veranderen in Eduard. Hij was getrouwd met Sophia Hester Zendijk (Kampen, 23 december 1872). Het laatste adres van het echtpaar was Louise de Colignyplein 19 in Zeist. Bernard Eduard stierf op 22 juli 1944 in Theresienstadt, zijn vrouw Sophia stierf er op 5 april 1945, vlak voor de bevrijding van Theresienstadt.

 

Lezenaar Hoogduitse Synagoge, 2007 Selly Elisabeth Samuels, 31 juli 1886, dochter van Jacob Samuels en Flora Pos. Selly Samuels werkte als ambtenaar bij de secretarie van het Gouvernement. In Nederland was zij kantoorbediende. Haar laatst bekende adres was de van Eeghenstraat 57hs in Amsterdam. Dit was een pension van Georg Herzberg (Aerzen, 1883) met tien kamers. Naast zeven joodse alleenstaanden woonde er in februari 1941 ook het oudere Surinaamse echtpaar Fernandes-Swijt (zie boven). Selly Elisabeth stierf op 6 maart 1945 in Bergen-Belsen. Zij was 58 jaar.

Voormalige ambtswoning rabbijn Roos in 2007 Debora ('Della') Samue[Ž]ls-Roos, 17 juli 1894 [de site van JM schrijft een trema op de e]. Dochter van rabbijn Jacob Roos en zijn vrouw Selly Benjamins, zuster van Samuel Roos (zie boven). Debora werd een jaar na de aankomst van haar ouders in Suriname geboren. Het gezin keerde in 1912 terug naar Nederland. Della trouwde de arts Daniel J. Samuels. Haar laatst bekende adres was de Kennemerstraatweg A 464 in Heiloo. Zij was toen weduwe. Debora kwam op 11 februari 1944 in Auschwitz om het leven, 59 jaar oud. Betsy Elmire Sanders-Fernandes, 9 maart 1893, dochter van Uria Fernandes, slager (bij S als Betsy Fernandes bekend). Betsy trouwde met Salomo Sanders (Wildervank, 17 juli 1889), handelsreiziger. Er waren zeker twee kinderen: Frouwke (Groningen, 21 mei 1926) en Helena Commy (idem, 24 mei 1929). Het gezin woonde in juni 1944 nog in de Otto Eerelmanstraat 9-a te Groningen. De ouders en de jongste dochter werden op 7 juli 1944 in Auschwitz vermoord. Salomo was 55, Betsy 51 en Helena 15 jaar oud. Frouwke maakte vermoedelijk de bevrijding van Auschwitz mee, maar stierf op 28 februari 1945 op een onbekende plaats. Zij was 17 jaar. Kinderen da Silva Izaak/Isaak David da Silva, 9 februari 1877 (S heeft 18 februari), kind van David da Silva en Esther Samuels, broer van Arnold da Silva (1879) en Betje Lopes de LeaŰ Laguna-da Silva (1882). Laatst bekende adres: Bronckhorststraat 11-I, Amsterdam. Izaak David werd op 7 juli 1944 in Auschwitz om het leven gebracht. Hij was 67 jaar. Van dit huishouden zijn claims vanwege roof bekend (JOKOS, LIRO). Arnold David da Silva, 5 januari 1879, arts. Broer van Izaak da Silva (1877) en Betje Lopes de LeaŰ Laguna-da Silva (1882). Arnold trouwde met >Anna Palache (Amsterdam, 27 april 1883). Er was zeker een kind, Ellen Reina (idem, 6 januari 1920). Zij werd lerares. Het laatst bekende adres is Sarphatistraat 161hs, Amsterdam. Anna da Silva-Palache werd op 7 juli 1944 in Auschwitz vermoord; zij was 61 jaar. Arnold David stierf in hetzelfde kamp op 31 juli 1944, 65 jaar oud. Ellen Reina overleed op 28 februari 1945 op een onbekende plaats; als zij in Auschwitz was heeft zij er de bevrijding van het kamp nog meegemaakt. Zij werd 25 jaar. >Julius ('Jules') da Silva, 12 september 1882, zoon van Jacob da Silva en Jacqueline A. Brandon. Koopman. Zijn laatst bekende adres was in de Jacob Obrechtstraat in Amsterdam. Jules stierf op 4 augustus 1942 in Auschwitz (S schrijft Amersfoort). De deportaties waren pas drie weken aan de gang. Jules da Silva was 59 jaar. S David da Silva, 24 december 1884. Broer van Jules da Silva. Geen van de Holocaust-sites heeft zijn naam.

 

Binnenstad vanaf Oranjeplein (Onafhankelijkheidslein) rond 1915 (foto: Augusta Curiel: www.engelfriet.net) + >Bilha ('Betje') Isaak Souget-Citroen, 30 juli 1874, weduwe. Vermoedelijk uit hetzelfde gezin als Jacob Isaak en Barend Isaac Citroen (zie boven). Haar laatst bekende adres was Joh. Verhulststraat 131hs, Amsterdam. Zij woonde daar met drie joodse huisgenoten: een andere weduwe, een handwerkster en een dienstbode. Bilha Isaak Souget-Citroen werd op 5 februari 1943 in Auschwitz vermoord. Zij was 68 jaar. Van haar huishouden zijn claims bekend (JOKOS en LIRO). Haar huisgenote, weduwe Mietje de Lange-Mendels stierf op dezelfde dag en plaats. Celine/Seline (bij S) Telline Swijt, 1 augustus 1905. Zij woonde in februari 1941 met haar moeder, Dina Swijt-Vas Nunes (Amsterdam, 9 maart 1877), op de Zuider Amstellaan 56-I in Amsterdam - na de oorlog Rooseveltlaan hernoemd. Rebecca Fernandes-Swijt (1870), Jansje Parra-Swijt (1884) en Cornelia Tellina Vas Nunes-Fernandes (1896), zijn mogelijk verwanten. Celine Telline Swijt werd op 23 april 1943 in Sobibor vermoord. Zij was 37 jaar. Haar moeder stierf in Auschwitz, op 11 februari 1944, 66 jaar oud. >Echtpaar Tay(ij)telbaum-Levie Jacobi ('Jacob', 'Boy') Machiel Tay(ij)telbaum (de drie slachtoffersites schrijven Taijtelbaum), 18 januari 1896, zoon van Samuel Isay Taytelbaum en Seline Meriam de Vries. Della Julietta Cahen-Taytelbaum (1872) was de zuster van Samuel Isay (zie boven).Jabobi's vader was evenals hij in Paramaribo geboren, maar ging in zijn jeugd naar Europa. Hij woonde in Amsterdam en Berlijn. Teruggekomen in Suriname werd hij koopman en industrieel, met interesse in landbouw en goudwinning. Uit zijn huwelijk met Seline de Vries werden in ieder geval twee zoons geboren, Jacob en Max. Op oudere leeftijd leerde Samuel Isay nog Hebreeuws om de diensten in de synagoge beter te kunnen volgen. Tussen 1895 en 1917 was hij lid van het armbestuur van de NIG, waarvan vele jaren als voorzitter. Vanaf 1919 was hij lid van de kerkenraad, tot aan zijn dood in 1939.

Echtpaar Taytelbaum-Levie (bron: George Taytelbaum) Jacobi Machiel Taytelbaum trouwde met Blanche Levie. Het echtpaar woonde in Veere, naast Jacobs broer Max. Jacob had een gevlucht Duits joods jongetje in huis opgenomen. Toen Jacob voor het uitbreken van de oorlog probeerde te ontsnappen aan de Duitse bezetter, werd hij bij de Nederlands-Belgische grens niet toegelaten met de jongen, daar deze de vijandige Duitse nationaliteit had (mededelingen van neef George Taytelbaum, november 2005). Jacob Machiel stierf in Auschwitz, op 1 oktober 1942. Hij was 46 jaar. Blanche Tay(ij)telbaum-Levie, 29 maart 1896, dochter van Juda Levie en Grace Gomperts. Zij trouwde met haar stadgenoot Jacobi Machiel Taytelbaum en woonde met hem in Veere (Nederland). Blanche stierf op een andere dag en plaats dan haar man. Zij werd op 11 juni 1943 in Sobibor vergast, op 47-jarige leeftijd.

 

Emanuel Haim Vas Nunes (foto: Joods Monument) Cornelia Tellina Vas Nunes-Fernandes, 14 maart 1896. Zij trouwde met Emanuel Haim Vas Nunes (Amsterdam, 6 december 1884), arts. De site van het Joods Monument zegt over hem: 'Emanuel Haim Vas Nunes studeerde geneeskunde in Amsterdam, waar hij zijn artsenexamen aflegde op 17 februari 1912. Hij specialiseerde zich in de huid- en geslachtsziekten. Hij woonde en hield praktijk in de Lairessestraat 60 in Amsterdam. Daarnaast had hij praktijk in het Nederlands-IsraŽlitisch Ziekenhuis (Nieuwe Keizersgracht 110) en op de polikliniek voor geslachtsziekten (Westerpark 2). Emanuel Haim Vas Nunes was regent van het ziekenhuis 'Mesib Nefis'.

Elly Orlow-Polak Polak, Elly Orlow-Polak, Annemarie Samuels en Carolina Polak-Wessel (1939)(foto: mevrouw S. Vetter-Samuels) Het echtpaar had twee kinderen.

David Daniel (Amsterdam, 25 februari 1918) studeerde geneeskunde in Amsterdam, waar hij zijn doctoraal deed. Hun laatst bekende adres was de Lairessestraat 80 in Amsterdam. Cornelia Tellina en Emanuel werden op 14 oktober 1944 in Auschwitz vermoord. Zij was 48, hij was 59 jaar. Hun zoon David was twee weken eerder, op 1 oktober 1944, in hetzelfde kamp om het leven gebracht, 26 jaar oud. Eťn kind heeft de oorlog overleefd. Van dit gezin zijn claims bekend betreffende waardepapieren en waardevolle voorwerpen. Marianne ('Marie') Machiel van West-Samuels, 21 januari 1888, echtgenote van John van West, hypotheekverzekeraar. Zie voor mogelijke verwanten Selly Elisabeth Samuels (1886) en andere leden van de familie Samuels. Haar schoonvader was dr Izaak van West, die in 1870 in Nederland promoveerde in de geneeskunde en zijn artsenexamen aflegde. Vrienden in Suriname richtten een ziekenfonds op ('De Nuttige Voorzorg') om hem als arts in Suriname te kunnen behouden. Hij bleef en maakte vooral naam als verloskundige. Izaak van West ijverde voor de oprichting van een Geneeskundige School in Suriname, en werd een van zijn leraren. Hij stierf in 1911. Zijn zoon John van West studeerde ook in Nederland en werd kandidaat-notaris. Hij was in Suriname jarenlang 'hypotheekbewaarder' (hypotheekverzekeraar). Na zijn vroegtijdige dood, op 8 maart 1934, verhuisde zijn vrouw Marie van West-Samuels naar Nederland. Haar laatst bekende adres was de Nicolaas Maesstraat 97hs, Amsterdam. Hier woonde zij met de pensionhoudster en een hoogbejaarde man, beiden ook joods. Marianne Machiel van West-Samuels kwam op 27 augustus 1943 in Auschwitz om het leven. Zij was 55 jaar. Haar twee uitwonende kinderen overleefden de Sjoa.

Nederlands-Israelitische Synagoge in 2007 Jakob de Wilde (Sneek, 2 april 1874) - (de Bye, Schetsen, schrijf Jacob, geboren op 1e dag Pesach, met het foutieve jaar 1875). Zijn echtgenote was Hanna ('Hanny') Smeer (Schoterland, 1 6 mei 1876). De Wilde kwam eind oktober 1896 naar Suriname om bij de NIG, op 22-jarige leeftijd, voorbidder ('gazan'), slachter ('sjochet') en later ook besnijder ('mohel') te zijn. Drie jaar eerder had de Hoogduitse gemeente een nieuwe rabbijn gekregen, Jacob Roos. De Wilde volgde assistent-voorbidder en koopman Salomon Israel Levie op, die als 'oom Sjolom' 48 jaar lang gazan was geweest. Na vijf jaar ging De Wilde terug naar Nederland (juli 1911). In november 1912 was hij al weer terug, als tijdelijk leraar in de vacature Roos. Vermoedelijk was hij intussen getrouwd met Hanny Smeer. Op 1 december 1913 werd Jakob de Wilde definitief benoemd. Jakob was in deze tweede periode bijna vijftien jaar godsdienstleraar van de NIG. In februari 1927 werd hij voor verdere dienst in de tropen afgekeurd. Er werd hem een jaarlijks pensioen van 637 gulden toegekend. In Nederland was De Wilde gazan in Elburg en vanaf begin 1929 in Tilburg. Bij het uitbreken van de oorlog zal hij gepensioneerd zijn geweest. Oud-gazan De Wilde werd vermoedelijk in het najaar van 1942 met zijn vrouw weggevoerd. Dat is bekend dankzij de inboedel-inventarisatie van hun huis aan de Willem II-straat 18 op 3 september van dat jaar (JM). De inventarisatie ging vooraf aan de huisuitzetting en werd uitgevoerd in opdracht van de Hausraterfassung. Men stuurde veel van de geroofde meubels naar Duitsland. Ook eigenden andere instanties of individuen zich wel iets toe. Het huis had twee woonkamers en vier slaapkamers. Op de zolder noteert men: 'waardeloze spullen'. In de kleinste slaapkamer treft de ambtenaar 'rugzak (gepakt) (2)' aan. Het echtpaar was dus al gereed voor het gedwongen vertrek naar Westerbork. Wanneer zij daar ook werkelijk zijn aangekomen is niet bekend. De deportatie naar het vernietigingskamp Sobibor was op 8 juni 1943. Godsdienstleraar De Wilde, die bijna 20 jaar in Suriname had gewerkt, werd evenals zijn vrouw op 11 juni 1943 vergast. Hij was 69 jaar, zij 67 jaar. Julius Wolff, 6 mei 1910. Julius was getrouwd met een niet-joodse vrouw. Ze hadden vier kinderen. Hun laatst bekende adres was de Lodewijk Boisotstraat 2-I in Amsterdam. Het echtpaar was lid van het verzet. Ze boden onder meer aan Duits-joodse vluchtelingen een onderduikplek op zolder. Dit is verraden door een buurtgenoot. Zijn vrouw en kinderen waren gewaarschuwd en vonden onderduik op verschillende plaatsen in Nederland. Julius Wolff kwam door vlektyfus om het leven in Dachau, op 4 februari 1945. Hij was 34 jaar. Alle foto's zijn van Pim Ligtvoet, tenzij anders vermeld. John H. de Bye, Historische schetsen uit het Surinaams jodendom. Uitgeverij Conserve, Schoorl, 2003. (Het boek bevat veel 18e en 19e eeuwse archiefstukken, vooral van de Hoogduitse gemeente, de lijst met Holocaustslachtoffers uit Teroenga en daarnaast o.a. een aantal carriŤrebeschrijvingen van bekende en opmerkelijke mannen uit het Surinaams jodendom, tot in de 20e eeuw).

 

Allochtonen van nu & de oorlog van toen - Marokko, de Nederlandse Antillen, Suriname en Turkije in de Tweede Wereldoorlog Ad van den Oord, SDU/Forum 2003, isbn 90-5409-420-6

 

Wereldoorlog in de West - Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba 1940-1945.